E1 – Hypotheses opstellen
In een experiment wordt gekeken of studenten die hun aantekeningen mogen reviseren anders
scoren op een toets dan studenten die niet mogen reviseren. Een groep studenten wordt at random
aan de twee condities toegekend. De studenten volgen allemaal dezelfde les, maar alleen de
revisiegroep mag de aantekeningen aanpassen. Zijn er op de afsluitende toets verschillen tussen de
groepen?
Wat zijn hierbij de nulhypothese en alternatieve hypothese?
In het onderzoek naar aantekeningen wel of niet reviseren, hebben de onderzoekers geen gerichte
verwachting over welke conditie beter zal scoren.
De onderzoekers bekijken of de gemiddelde toets score van de ene groep anders is dan in de andere
conditie: zowel de niet-revisie conditie als de revisie conditie kan uiteindelijk een hogere gemiddelde
toets score hebben.
Dit wordt een tweezijdige alternatieve hypothese genoemd. Bij het opstellen houd je er rekening
mee dat het verschil beide kanten op kan vallen. Dit kan je herkennen door het gebruik van
het ≠ teken.
Onderzoekers kunnen ook rekening houden met deze verwachting door een eenzijdige alternatieve
hypothese op te stellen. Dan kijken onderzoekers niet of de gemiddelden verschillen, maar of
specifiek het gemiddelde in de ene groep hoger (of juist lager) is dan in de andere. Met andere
woorden, de alternatieve hypothese geeft dan ook een richting van het verschil aan.
De onderzoekers in het revisie-onderzoek verwachten dat studenten mét reviseren gemiddeld
hogere scores zullen halen dan zonder reviseren. Zij kunnen dan de volgende hypotheses opstellen:
Het verschil tussen een één- en tweezijdige hypotheses zit in de alternatieve hypothese. De
nulhypothese verandert dus niet.
De onderzoekers van het revisie-onderzoek wilden ook onderzoeken of er een effect was van het
moment waarop studenten aantekeningen maakten. In de niet-pauze conditie maakten studenten
alle aantekeningen na het college. In de pauze conditie kregen studenten daarnaast ook halverwege
het college een pauze om aantekeningen te maken. De onderzoekers verwachtten dat een pauze tot
hogere toets scores zou leiden.
Wat zijn de nul- en alternatieve hypothese die hierbij horen?
, Symbool dat wordt gebruikt voor het opstellen van een hypothese: μ
Bij correlaties onderscheiden we ook twee symbolen.
Het symbool r geeft de correlatie in de steekproef aan.
De Griekse letter ρ (‘rho’) geeft derho’) geeft de correlatie in de populatie aan.
Drie onderzoekers willen kijken of er een relatie is tussen "het aantal koppen koffie dat mensen op
een dag drinken" en "het aantal uren dat mensen slapen".
De onderzoekers stellen hiervoor een nulhypothese en een tweezijdige alternatieve hypothese op.
Wat zijn de nul- en alternatieve hypothese?
De onderzoekers verwachten dat hoe meer koffie mensen drinken, hoe minder zij zullen slapen.
Welke alternatieve hypothese hoort hierbij?
De nulhypothese geeft altijd aan dat er geen effect is. Dat houdt in dat er geen verschil in
gemiddelden is of dat er geen correlatie is.
E2 – P-waarde
De grote lijn
De p-waarde geeft de kans dat als de nulhypothese waar is, je gelijke of extremere waardes dan je
geobserveerde waarde zou vinden.
De p-waarde wordt gebruikt voor het toetsen van hypotheses. Helaas wordt de p-waarde vaak
verkeerd geïnterpreteerd.
Stel, je vermoedt dat het krachttrainen voor een spiegel zorgt dat spieren sneller in omvang
toenemen dan wanneer je zonder spiegel traint.
Om dit vermoeden te toetsen, ga je een experiment doen. Je verdeelt een groep studenten in twee
groepen. De ene helft gaat elke dag met een spiegel trainen, de andere helft traint elke dag zonder
spiegel
Er zal altijd variatie ontstaan. Het is belangrijk om dat te onthouden.
Een verschil in de steekproef wil niet altijd zeggen dat dit verschil ook in de populatie bestaat.
Het zou ook door toeval veroorzaakt kunnen zijn.
In een experiment wordt gekeken of studenten die hun aantekeningen mogen reviseren anders
scoren op een toets dan studenten die niet mogen reviseren. Een groep studenten wordt at random
aan de twee condities toegekend. De studenten volgen allemaal dezelfde les, maar alleen de
revisiegroep mag de aantekeningen aanpassen. Zijn er op de afsluitende toets verschillen tussen de
groepen?
Wat zijn hierbij de nulhypothese en alternatieve hypothese?
In het onderzoek naar aantekeningen wel of niet reviseren, hebben de onderzoekers geen gerichte
verwachting over welke conditie beter zal scoren.
De onderzoekers bekijken of de gemiddelde toets score van de ene groep anders is dan in de andere
conditie: zowel de niet-revisie conditie als de revisie conditie kan uiteindelijk een hogere gemiddelde
toets score hebben.
Dit wordt een tweezijdige alternatieve hypothese genoemd. Bij het opstellen houd je er rekening
mee dat het verschil beide kanten op kan vallen. Dit kan je herkennen door het gebruik van
het ≠ teken.
Onderzoekers kunnen ook rekening houden met deze verwachting door een eenzijdige alternatieve
hypothese op te stellen. Dan kijken onderzoekers niet of de gemiddelden verschillen, maar of
specifiek het gemiddelde in de ene groep hoger (of juist lager) is dan in de andere. Met andere
woorden, de alternatieve hypothese geeft dan ook een richting van het verschil aan.
De onderzoekers in het revisie-onderzoek verwachten dat studenten mét reviseren gemiddeld
hogere scores zullen halen dan zonder reviseren. Zij kunnen dan de volgende hypotheses opstellen:
Het verschil tussen een één- en tweezijdige hypotheses zit in de alternatieve hypothese. De
nulhypothese verandert dus niet.
De onderzoekers van het revisie-onderzoek wilden ook onderzoeken of er een effect was van het
moment waarop studenten aantekeningen maakten. In de niet-pauze conditie maakten studenten
alle aantekeningen na het college. In de pauze conditie kregen studenten daarnaast ook halverwege
het college een pauze om aantekeningen te maken. De onderzoekers verwachtten dat een pauze tot
hogere toets scores zou leiden.
Wat zijn de nul- en alternatieve hypothese die hierbij horen?
, Symbool dat wordt gebruikt voor het opstellen van een hypothese: μ
Bij correlaties onderscheiden we ook twee symbolen.
Het symbool r geeft de correlatie in de steekproef aan.
De Griekse letter ρ (‘rho’) geeft derho’) geeft de correlatie in de populatie aan.
Drie onderzoekers willen kijken of er een relatie is tussen "het aantal koppen koffie dat mensen op
een dag drinken" en "het aantal uren dat mensen slapen".
De onderzoekers stellen hiervoor een nulhypothese en een tweezijdige alternatieve hypothese op.
Wat zijn de nul- en alternatieve hypothese?
De onderzoekers verwachten dat hoe meer koffie mensen drinken, hoe minder zij zullen slapen.
Welke alternatieve hypothese hoort hierbij?
De nulhypothese geeft altijd aan dat er geen effect is. Dat houdt in dat er geen verschil in
gemiddelden is of dat er geen correlatie is.
E2 – P-waarde
De grote lijn
De p-waarde geeft de kans dat als de nulhypothese waar is, je gelijke of extremere waardes dan je
geobserveerde waarde zou vinden.
De p-waarde wordt gebruikt voor het toetsen van hypotheses. Helaas wordt de p-waarde vaak
verkeerd geïnterpreteerd.
Stel, je vermoedt dat het krachttrainen voor een spiegel zorgt dat spieren sneller in omvang
toenemen dan wanneer je zonder spiegel traint.
Om dit vermoeden te toetsen, ga je een experiment doen. Je verdeelt een groep studenten in twee
groepen. De ene helft gaat elke dag met een spiegel trainen, de andere helft traint elke dag zonder
spiegel
Er zal altijd variatie ontstaan. Het is belangrijk om dat te onthouden.
Een verschil in de steekproef wil niet altijd zeggen dat dit verschil ook in de populatie bestaat.
Het zou ook door toeval veroorzaakt kunnen zijn.