Hoofdstuk 1:
➢ 1.1 Persoonlijke identiteit: Biografische ervaringen → Professionele identiteit:
Alles waarmee jij je identificeert met het je gekozen beroep en met hoe je jezelf
ziet als uitoefenaar van dit gekozen beroep. (normen en waarden uit de kindertijd,
goede voorbeelden van professionals en innerlijke motivatie.)
➢ Van Goor en Houweling maken er in de beschrijving van de kindertijd een
onderscheid tussen binnen -en buitenwereld. Binnenwereld: Dat zijn gedachten
en belevingen van jezelf die betekenis geven aan alle situaties die je tijdens het
opgroeien meemaakt.
Buitenwereld: De tijd, plaats, gezin en samenleving waarin je leeft.
➢ Beroepsprofiel: Een lijst met kennis en vaardigheden waaraan je als goede
pedagogisch professional zou moeten voldoen.
➢ 1.2 Observeren: Waarnemen van het gedrag van het kind om duidelijker beeld te
schetsen over de ontwikkeling → handvatten voor optimale afstemming
verzamelen.
➢ Observeren heeft diverse redenen:
➢ Het monitoren van de algehele ontwikkeling: achterstanden vaststellen.
➢ Het begrijpen van kinderen: individuele kwaliteiten, interesses en uitdagingen
begrijpen.
➢ Juiste ondersteuning bieden: bepalen welke ondersteuning kind nodig heeft.
➢ Relationele/emotionele ontwikkeling bewaken: Omgang van kind met omgeving.
➢ Veiligheid en welzijn borgen: Voelt het kind zich fysiek en emotioneel veilig?
➢ Doelgericht observeren:
➢ Altijd doelgericht observeren: je weet wat je, hoe en waarom je observeert.
➢ Niet alleen aandacht voor het gedrag: Kijken naar voorwaarden om tot verdere
ontwikkeling te komen. Deze zijn: betrokkenheid, welbevinden en motivatie.
➢ Situatie waarin je het gedrag observeert: wat gaat het aan het te observeren
gedrag vooraf en wat volgt erop?
➢ Gestructureerde observatie: Observatie op meerdere momenten. Specifiek gedrag
in bepaalde situaties. Doel: meer begrip over ontwikkeling.
➢ Dynamische observatie: Je kijkt hoe een kind een probleem oplost en natuurlijke
gedrag in diverse situaties. Doel: Ontwikkeling kind ten opzichte van zichzelf.
, ➢ Globale observatie: Je observeert het dagelijks functioneren. Doel: een algemeen,
ruim beeld van het kind te krijgen.
➢ Waar moet je op letten als je gaat observeren?
- Het kind moet zich veilig en ontspannen voelen.
- Kunnen vertrouwen op de verzamelde informatie. Probeer selectief, bewust en
doelgericht te observeren. Observatieformulier helpt daarbij! Daarnaast moet je
zorgen voor betrouwbaarheid door je niet te laten beïnvloeden door vooroordelen
of interpretaties.
- Volgens Oenema worden de resultaten beter wanneer: Het kind zich veilig voelt,
observator betrouwbaar en vaardig is, een goede observatieformulier.
➢ Cyclus van observeren: Waarnemen en registreren, interpreteren en concluderen,
actie ondernemen en evalueren.
➢ 1.3 Gesprekken met kinderen:
Volgens Amerikaanse psycholoog Rogers voorwaarden voor goed gesprek:
- Congruentie: De Pep doet en zegt die dingen die hij/zij meent. Overeenstemming
tussen wie hij is en wat hij zegt.
- Empathie: De Pep moet zich inleven in het belevingswereld van het kind.
- Positieve blik: De situatie van het kind aanvaarden en openstaan voor de gevoelens
en gedachten van het kind.
Volgens psycholoog Delfos drie dingen voor goede communicatie met kinderen:
- Goed gesprek: Alle deelnemers voelen zicht prettig tijdens het gesprek, dat ze
elkaar respecteren los van het inhoud.
- Open gesprek: Kind kan zijn mening en gevoelens vertellen, zonder geleid en
misleid te worden door volwassenen.
- Goed gesprek: Kind geeft zelf informatie en niet dat de informatie door
volwassene aan hem onttrokken wordt.
- Volgens Delfos soorten gesprekken:
- Spontane opengesprek, interview en hulpverleningsgesprek.
➢ Metacommunicatie: Aangeven wat de regels van het gesprek voor het kind en
voor jou zijn. Enkele regels: Maak jouw doel en intentie duidelijk, Laat weten of
reactie nodig hebt, laat het kind weten dat het mag zwijgen en benoem wat je
voelt.