HC/OWG/SRV
WEEK 1
HC A&F BESTURINGSSYSTEMEN II
1. De algemene bouw en functie van de zintuigen van de mens beschrijven;
Aanvoerend gedeelte Verwerkend gedeelte Uit-/afvoerend gedeelte
Zintuigen Cerebrum Grote hersenen
Gevoel Registreren Zenuwbanen
Zicht Herkennen Perifere zenuw
Gehoor/Evenwicht Reageren Doelwitorgaan
Reuk Cerebellum Spier
Smaak Klier
Zenuwbanen Zenuwcel
Grote Hersenen
Zintuigen (aanvoerend)
1. Reuk
2. Gezichtsvermogen
3. Gehoor/evenwicht
4. Smaak
5. Tast- en pijnzintuig
6. ‘Het zesde zintuig’..
-Deels: relatie met de hersenzenuwen
-Deels: perifere zenuwstelsel
Algemeen werkingsprincipe
- Chemische of natuurlijke prikkel (druk, golf).
- Eindproduct: elektrische prikkel.
- Zintuig= ‘omzettingsorgaantje’
2. Een beschrijving geven van het cerebrum aan de hand van de verschillende
hersenkwabben;
Cerebrum= grote hersenen.
In de grote hersenen worden signalen van zenuwen verwerkt (sensorische informatie) en wordt
beweging van je lichaam geregeld (motorische informatie). De grote hersenen bestaan uit een linker
en rechterhersenhelft.
-De linkerhersenhelft ontvangt vooral informatie uit de rechterhelft van het lichaam, terwijl de
rechterhersenhelft juist informatie uit de linkerhelft van het lichaam ontvangt. Lichaamshelft en
hersenhelft zijn dus kruislings met elkaar verbonden.
-De grote hersenen zijn ook verantwoordelijk voor je emoties, het geheugen en de planning.
, 3. De functionele organisatie van het cerebrum toelichten, gebruik makend van de
termen primaire, secundaire en tertiaire cortex;
Registreren, herkennen, reageren (verwerkend)
-Vierkant: hersenschors
-Gevoelsprikkel: uit tastlichaampjes
Primaire cortex: neemt iets waar, weet nog niet wat (hebt een sleutel vast).
Secundaire cortex: herkent patronen (herkent wat het voorwerp is aan de vorm).
Tertiaire cortex: er iets mee gaan doen (weet wat het is en wat je er mee kan doen/wat het voor je
betekend).
- Spierstelsel voert het gene wat je wilt gaan doen uit.
Neuronale functiesystemen
- Hiermee word het hersenschors ingeschakeld.
Ascenderend/opstijgend (aanvoerend) sensible/sensorisch systeem.
Verwerkend (op elk niveau).
Descenderend/afdalend (af- en uitvoerend) motorisch systeem.
Lichamelijke neurologische onderzoek
- Kracht
- Sensibiliteit
- Coördinatie
- Reflexen
- Hersenzenuwen
- Hogere hersenfuncties= cognitieve functies
o Bewustzijn
o Oriëntatie
o Taal/spraak
o Geheugen
o Uitvoerende vaardigheden (praxis)
, o (Her)kennende vaardigheden (gnosis)
Mini Mental State Examination (MMSE) – voor het testen van de cognitieve functies
MoCA (Montreal Cognitive Assessment)
Congnitiee Screenings Test (CST)
Kloktekentest
4. De functionele organisatie van het cerebrum ook in de grotere netwerkverbanden
toelichten, bijvoorbeeld inzake het motorische, sensibele of optische systeem;
5. De functionele organisatie koppelen aan de hogere cognitieve functies van de mens;
Linker hersenhelft (hemisfeer) Rechter hersenhelft (hemisfeer)
Tijd Ruimte
Verbale info Non-verbale info
Analyse Automatismen
Details Concentratie
6. Met behulp van enkele eenvoudige onderzoekstechnieken een globaal oordeel geven over
het cognitieve functioneren van een zorgvrager.
HC KLINISCH REDENEREN EN VERPLEEGKUNDIG METHODIEK
1. Beredeneren waarom het belangrijk is om als verpleegkundige op een methodische
manier te werk te gaan.
Methodische manier: om het planmatige plan op een verantwoordelijke manier uit te voeren.
Volgens een bepaalde systematiek/proces.
2. De verschillende fasen van het verpleegkundig proces noemen.
Fasen verpleegkundig proces:
Fase 1: Gegevens verzamelen bij de (Verpleegkundige anamnese)
Fase 2: Verpleegkundige diagnose(n) of verpleegproblemen vaststellen
Fase 3: Vaststellen gewenste resultaten
Fase 4: Verpleegkundige interventies plannen in een verpleegplan
Fase 5: Verpleegkundige interventies uitvoeren
Fase 6: Evaluatie
Fase 7: Terugkoppelen
3. De methodische werkwijze van de arts op hoofdlijnen beschrijven en de verschillen met
het verpleegkundig proces verklaren vanuit ieders beroepsverantwoordelijkheden;
Medisch handelen:
1. Anamnese
2. Lichamelijk onderzoek
3. Aanvullend onderzoek (bijv. bloedonderzoek)
4. Differentiaal diagnose (wat er aan de hand zou kunnen zijn)
5. (Waarschijnlijkheids-)diagnose
6. Therapie
, 7. Evaluatie
OWG ALZHEIMER
1. De student kan een omschrijving geven van de begrippen geriatrie en dementie.
Geriatrie= medisch specialisme voor de behandeling van bejaarden.
- Geriater: is gespecialiseerd in gezondheidsproblemen waar oudere patiënten mee te maken
kunnen krijgen. Vaak gaat het om een combinatie van lichamelijke, psychische en sociale
problemen.
Dementie= toestand van verslechterde geestelijke capaciteiten.
- Dementie is een verzamelnaam voor ruim vijftig ziektes, waarbij de hersenen informatie niet
meer goed kunnen verwerken.
Bron: https://www.encyclo.nl/begrip/dementie
https://www.alzheimer-nederland.nl/dementie
2. De student kan beschrijven wat Alzheimer is en wat de oorzaken zijn.
Alzheimer= vorm van dementie, een ziekte waardoor je steeds minder kunt onthouden.
Wetenschappers denken dat het volgende te maken heeft met de oorzaak van Alzheimer:
- Samenklontering van Amyloid:
het alzheimer eiwit ‘amyloid’ stapelt zich op tussen de zenuwcellen in de hersenen,
waardoor de communicatie tussen de hersencellen moeizamer gaat.
- Tau eiwitkluwen:
afwijkende vorm van eiwitten waardoor transport van voedingsstoffen door de cel niet goed
verloopt en de cel hierdoor uiteindelijk sterft.
- Gliacellen:
bevinden zich in de hersenen, deze cellen kunnen soms overactief en agressief te werk gaan,
wat het ziekteproces kan versnellen.
- Bloed-hersenbarrière:
Mechanisme om schadelijke stoffen in het hersenweefsel te voorkomen kan falen, waardoor
er ophopingen van amyloid eiwitten in het brein ontstaan.
Bron: https://www.alzheimer-nederland.nl/dementie/oorzaken-preventie/oorzaken
3. De student kan een definitie geven van de begrippen intra- extra muraal en
casemanagement.
Intramuraal= dienstverlening aan iemand die langer dan vierentwintig uur in een zorginstelling
verblijft.
Extramuraal= dienstverlening die buiten de muren van de behandelende instelling plaatsvindt.
Casemanagement= een vorm van hulpverlening, die onder meer wordt toegepast in de geestelijke
gezondheidszorg. Patiënten worden zodanig begeleid dat zij in staat zijn zo veel mogelijk in de
maatschappij mee te draaien.
- Kenmerkend voor casemanagement is dat een hulpverlener aan een patiënt wordt
gekoppeld.