Hoofdstuk1: geloof en filosofie
Aristoteles -> 350 v.C.
zijn manier van denken noemen we theologie. Er moet een oorzaak zijn of te wel een
eerste beweger.
ARISTOTELES
Een systematische filosofie. In zijn zoektocht om de wereld te
doorgronden, gebruikte hij zijn logica om de wereld te
categoriseren.
Aristoteles gaat opzoek naar de kern van het bestaan
(metafysica) en het komt erop neer voor het doel te
ondervinden ervan (ontologie) en hij ondervindt dit via de
logica (inductie en deductie (=algemene= rationalisten))
Aristoteles heeft door dat rationalisme niet helpt om tot de kern
te komen maar toch is
God heel belangrijk want deze is de eerste beweger (het hoogst
denkbare)
Hij is een leerling van de filosofische leer van Plato. Samen zijn ze de grondleggers van de
westerse filosofische traditie. Later verwierp Aristoteles het platonisme. In tegenstelling tot de
ideeënleer van Plato werkte hij meer systematisch en richtte hij zich meer tot de wereld die
gekend was via de waarneming. Hij werd de privéleraar van Alecander de grote.
Logica -> proposities ‘dat wat wordt gezegd’
een propositie is geen zin want een zin kan anders zijn en toch dezelfde betekenis hebben,
maar ze drukken wel hetzelfde propositie uit. Het zijn zinnen die waar of niet waar is.
Aristoteles stelt dat een propositie uit 2 delen bestaat. Het subject is waarover de propositie
gaat. Het predicaat is wat er over het subject wordt beweerd. Bv. De pen is rood ‘de pen’ is
het subject waarover het gaat ‘rood’ is het predicaat datgene wat er over het subject wordt
beweerd.
= hij wil naar de grondlegger
er zijn 4 categorieën
1: kwaliteit -> hiermee wordt er iets beweerd over een hoedanigheid van het subject
2: substantie -> die zegt wat voor ding iets is
3: kwantiteit -> die verwijst naar de hoeveelheid
4: relatie -> waarmee wordt verwezen naar de betrekking van het subject met andere dingen
Aan de hand van deze logica werkt Aristoteles een metafysica uit. Metafysica is de studie van
de fundamentele aard van het bestaan. De kern van alle dingen, alle zijnde is volgens
Aristoteles de substantie. De substantie is datgenen dat onafhankelijk op zichzelf kan bestaan
afgescheiden van de toevallige eigenschappen. -> ‘een staartloze kat’ substantie = kat
Kennis kan men volgens Aristoteles bereiken aan de hand van 2 soorten redeneringen.
-> een inductieve redenering berust op de waarneming: op basis daarvan probeert men tot
algemene feiten te komen. Via inductie is het ook niet mogelijk om tot zekerheden te komen,
enkel waarschijnlijkheden.
-> een deductieve redenering berust op het verstand: de waarheid te vinden door ze af te
leiden uit een meer algemene waarheid
Om de gehele werking van de wereld te begrijpen is het noodzakelijk volgens Aristoteles om
naar de oorzaken (aitia) der dingen te zoeken. Hij maakt een onderscheid tussen 4 soorten
oorzaken.
De materiële oorzaak verklaart uit welk materie iets bestaat.
de bewegende oorzaak is hoe iets tot de toestand is gebracht waarin het zich bevindt
de formele oorzaak verwijst naar de vorm van iets
Aristoteles -> 350 v.C.
zijn manier van denken noemen we theologie. Er moet een oorzaak zijn of te wel een
eerste beweger.
ARISTOTELES
Een systematische filosofie. In zijn zoektocht om de wereld te
doorgronden, gebruikte hij zijn logica om de wereld te
categoriseren.
Aristoteles gaat opzoek naar de kern van het bestaan
(metafysica) en het komt erop neer voor het doel te
ondervinden ervan (ontologie) en hij ondervindt dit via de
logica (inductie en deductie (=algemene= rationalisten))
Aristoteles heeft door dat rationalisme niet helpt om tot de kern
te komen maar toch is
God heel belangrijk want deze is de eerste beweger (het hoogst
denkbare)
Hij is een leerling van de filosofische leer van Plato. Samen zijn ze de grondleggers van de
westerse filosofische traditie. Later verwierp Aristoteles het platonisme. In tegenstelling tot de
ideeënleer van Plato werkte hij meer systematisch en richtte hij zich meer tot de wereld die
gekend was via de waarneming. Hij werd de privéleraar van Alecander de grote.
Logica -> proposities ‘dat wat wordt gezegd’
een propositie is geen zin want een zin kan anders zijn en toch dezelfde betekenis hebben,
maar ze drukken wel hetzelfde propositie uit. Het zijn zinnen die waar of niet waar is.
Aristoteles stelt dat een propositie uit 2 delen bestaat. Het subject is waarover de propositie
gaat. Het predicaat is wat er over het subject wordt beweerd. Bv. De pen is rood ‘de pen’ is
het subject waarover het gaat ‘rood’ is het predicaat datgene wat er over het subject wordt
beweerd.
= hij wil naar de grondlegger
er zijn 4 categorieën
1: kwaliteit -> hiermee wordt er iets beweerd over een hoedanigheid van het subject
2: substantie -> die zegt wat voor ding iets is
3: kwantiteit -> die verwijst naar de hoeveelheid
4: relatie -> waarmee wordt verwezen naar de betrekking van het subject met andere dingen
Aan de hand van deze logica werkt Aristoteles een metafysica uit. Metafysica is de studie van
de fundamentele aard van het bestaan. De kern van alle dingen, alle zijnde is volgens
Aristoteles de substantie. De substantie is datgenen dat onafhankelijk op zichzelf kan bestaan
afgescheiden van de toevallige eigenschappen. -> ‘een staartloze kat’ substantie = kat
Kennis kan men volgens Aristoteles bereiken aan de hand van 2 soorten redeneringen.
-> een inductieve redenering berust op de waarneming: op basis daarvan probeert men tot
algemene feiten te komen. Via inductie is het ook niet mogelijk om tot zekerheden te komen,
enkel waarschijnlijkheden.
-> een deductieve redenering berust op het verstand: de waarheid te vinden door ze af te
leiden uit een meer algemene waarheid
Om de gehele werking van de wereld te begrijpen is het noodzakelijk volgens Aristoteles om
naar de oorzaken (aitia) der dingen te zoeken. Hij maakt een onderscheid tussen 4 soorten
oorzaken.
De materiële oorzaak verklaart uit welk materie iets bestaat.
de bewegende oorzaak is hoe iets tot de toestand is gebracht waarin het zich bevindt
de formele oorzaak verwijst naar de vorm van iets