Hoorcollege 1: 11-09-2023
Marij Veldman
Dit vak gaat vooral over kwantitatief onderzoek. Hierbij volgen wij de empirisch analytische
benadering
Tentamenstof: (niet alleen feiten maar ook toepassen)
• Onderzoeksmethoden – Scheepers & Tobi - 10e druk (2021)
o Hoofdstukken 2 t/m 6, 10 (9e druk: hs 9 ipv. Hs 10 lezen)
o Onderzoeksopdracht:
▪ Onderzoeksplan schrijven (tussenverslag)
▪ Uitvoer onderzoek
▪ Wetenschappelijke verslag (eindverslag)
• Effectonderzoek in de gedragswetenschappen - Van Loon, Van der Meulen en Minnaert
o Hoofdstukken 2, 3, 4, 5 en 6
Donderdag 5 oktober tussenverslag inleveren
Inleveren eindverslag 10 november
Dinsdag 7 november
Dinsdag 22 januari hertentamen
Tentamen:
• 30 vierkeuzevragen (kennis & inzicht)
• Open vragen (kennis, toepassing & inzicht)
Onderzoeksopdracht
• Vier werkcolleges
• In groepjes van vier studenten een kleinschalig kwantitatief onderzoek opzetten, uitvoeren
en hierover rapporteren
• Ouderejaars sluiten aan in groep B voor de werkcolleges
• Inschrijving groepjes van 4: op Brightspace
• Onderzoeksopdracht en beoordelingsformulier staan op Brightspace
Benaderingen van onderzoek
• Is onderzoek doen moeilijk? NEE
o Wat heb je nodig:
▪ Onderzoekende houding
▪ Goede vraag
▪ Discipline nodig (systematisch werken) voor het uitvoeren van een
onderzoek.
Wanneer is onderzoek wetenschappelijk?
• Streven naar kennis over verschijnselen voor theorievorming
• Empirische uitspraken
o Feitelijk waarneembare uitspraken moeten het zijn.
▪ God bestaat = niet feitelijk waarneembaar dus niet wetenschappelijke
uitspraak
• Systematische benadering (methodologische spelregels):
o Toetsbare uitspraken - controleerbaar (andere wetenschappers) – repliceerbaar
(kunnen herhalen)
, • Wetenschap is systematische theorievorming
o Je bouwt door op andere theorieën (cumulatief)
Typen onderzoek (Gaat vaak samen)
• Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek
o Voor kennisproblemen (nog niet genoeg kennis over een bepaald onderwerp)
o Doel: ontwikkeling of toetsing theorieën
• Praktijkgericht (toegepast) wetenschappelijk onderozek
o Voor praktijkproblemen (mensen in de praktijk(Scholoen) die een probleem
constateren. Er is kennis nodig om het probleem op te lossen)
▪ De onderzoekers zorgen dat er genoeg kennis is om het probleem op te
lossen
▪ NIET: DE BESLUITVORMING VOOR HET PROBLEEM
o Doel: kennis voor besluitvorming bij praktijkproblemen
Empirische cyclus
• Observatie (probleem geconstateerd)
o AOLB studenten houden van het lezen van kinderboeken
• Inductie (algemene uitspraken gevormd)
o De theorie is: alle AOLB studenten houden van het lezen
van kinderen
• Deductie (Specifieke uitspraken gevormd die er worden
getoetst)
o Toetsbare uitspraak: Alle studenten in de cursus
methode en technieken in 2023-2024 houden van
het lezen van kinderboeken
o Het kan zijn dat er al eerdere onderzoeken zijn gedaan
naar dit onderwerp → kun je naar kijken voordat je gaat
toetsen
• Toetsing (De uitspraken worden getoetst)
o Iedereen wordt individueel gevraagd of ze van het lezen
van kinderboeken houden
• Evaluatie (resultaten worden geëvalueerd)
o ER zijn een paar studenten die het lezen van kinderboeken niet leuk vinden Dus: Niet
alle studenten houden van het lezen van kinderenboeken →
o observatie aangepast naar: bijna alle studenten van de AOLB houden van het lezen
van kinderboeken
Deductie van hypothesen
• Kun je zien als een: Deductief-Nomologisch model (Hempel, 1965)
o Toetsen van wetmatigheden
o Specifieke uitspraken afleiden uit algemene uitspraken over de empirische
werkelijkheid
o Theorie (wetmatigheden met goed gedefinieerde begrippen) & aannames → logische
toetsbare hypotheses.
,Theorie: “Alle vogels kunnen vliegen.”
Aanname: Dit is een vogel.
Hypothese: Deze vogel kan vliegen.
Empirische waarneming: Dit is een vogel, maar het vliegt niet!
Toetsing: Hypothese is gefalsificeerd
Evaluatie: Conclusie: ‘Geen vogel’ of ‘In tegenspraak met theorie’
kwantitatief: data in getallen aangeven, statistiek
en numerieke data, experimenten, opnames en
enquêtes
meer subjectief
observaties
interpreteren van
Kwalitatief: subjectief, beter proberen te
begrijpen van je doelgroep
Twee benaderingen
• Empirisch-analytische benadering
o Nomothetische kennis: kennis waarin ‘wetten’ (regelmatigheden) geformuleerd
worden
o Komen tot generaliseerbare uitspraken (geldend voor hele populatie)
o Derdepersoonsperspectief: de onderzoeker kijkt en observeert van buitenaf
o Nadruk op kwantitatief onderzoek
• Emprisch-interpretatieve benadering
o Eerstepersoonsperspectief: onderzoekers proberen zoveel mogelijk “door de ogen te
kijken” van degenen die zij bestuderen
o Nadruk op kwalitatief onderzoek
Probleemstelling in onderzoeksplan
• Probleemstelling = vraagstelling + doelstelling + theoretisch raamwerk
• Vraagstelling = Wat wil je weten?
o Fundamenteel onderzoek
▪ Hiaten/tegenstrijdigheden in de wetenschappelijke kennis
o Praktijkgericht onderzoek:
▪ Probleem afkomstig van opdrachtgever
▪ Vaag/globale weergave van het probleem >> concretiseren
▪ Huidige vs. gewenste situatie
• Doelstelling = Waarom wil je dit weten, waarom belangrijk?
o .. inzicht te krijgen in…
o Relevantie: theoretisch, praktijkgericht of beide
(omdat je het leuk vindt is niet de doelstelling)
• Theoretisch raamwerk = conceptueel model
o Wat is er al bekend → zet je om in een concepueel
model
, Type vraagstellingen
• Beschrijvende vraagstellingen
o De situatie beschrijven zoals het is
o Wat is een vogel precies → hoe kunnen we het begrip vogels goed definiëren
▪ Wat is het percentage Nederlanders dat gevaccineerd is tegen Covid-19?
• Verklarende vraagstellingen >> causaliteit
o Oorzaak en gevolg = X → Y
o Je wil een verklaring zoeken over gevolg Y
▪ Waarom hebben sommige groepen Nederlanders een negatieve houding
t.o.v. vaccineren tegen Covid-19?
• Voorspellende vraagstellingen >> causaliteit
o Oorzaak en gevolg
o Je wil een gevolg zoeken voor een verklaring X
▪ Leidt de huidige vaccinatiegraad in Nederland tot minder Covid-19
besmettingen de komende tijd?
Type kwantitatieve onderzoeksvragen
• Frequentievragen (beschrijvende vraagstelling)
o Hoevaak komt iets voor, hoeveel is er etc.
▪ Aantal minuten bewegingstijd per gymles
• Verschilvragen (vaak beschrijvende vraagstellingen maar soms ook gepresenteerd als
causaliteit vragen)
o In welke mate zijn er verschillen tussen groepen of een voor-na meting
▪ In welke mate is er verschil tussen jongens en meisjes bewegingstijd tijdens
de gymles
▪ Wat is het verschil van voor en na het inzetten van een activiteit qua
bewegingstijd in de gymles
• Samenhangvragen(vaak beschrijvende vraagstellingen maar soms ook gepresenteerd als
causaliteit vragen)
o In hoeverre is er een relatie tussen ….. en …..
▪ Hoe hangt de type instructie van de leerkracht samen met de
bewegingsminuten van de leerlingen tijdens de gymles
Goede kwantitatieve onderzoeksvragen
• Relevant & specifiek:
Marij Veldman
Dit vak gaat vooral over kwantitatief onderzoek. Hierbij volgen wij de empirisch analytische
benadering
Tentamenstof: (niet alleen feiten maar ook toepassen)
• Onderzoeksmethoden – Scheepers & Tobi - 10e druk (2021)
o Hoofdstukken 2 t/m 6, 10 (9e druk: hs 9 ipv. Hs 10 lezen)
o Onderzoeksopdracht:
▪ Onderzoeksplan schrijven (tussenverslag)
▪ Uitvoer onderzoek
▪ Wetenschappelijke verslag (eindverslag)
• Effectonderzoek in de gedragswetenschappen - Van Loon, Van der Meulen en Minnaert
o Hoofdstukken 2, 3, 4, 5 en 6
Donderdag 5 oktober tussenverslag inleveren
Inleveren eindverslag 10 november
Dinsdag 7 november
Dinsdag 22 januari hertentamen
Tentamen:
• 30 vierkeuzevragen (kennis & inzicht)
• Open vragen (kennis, toepassing & inzicht)
Onderzoeksopdracht
• Vier werkcolleges
• In groepjes van vier studenten een kleinschalig kwantitatief onderzoek opzetten, uitvoeren
en hierover rapporteren
• Ouderejaars sluiten aan in groep B voor de werkcolleges
• Inschrijving groepjes van 4: op Brightspace
• Onderzoeksopdracht en beoordelingsformulier staan op Brightspace
Benaderingen van onderzoek
• Is onderzoek doen moeilijk? NEE
o Wat heb je nodig:
▪ Onderzoekende houding
▪ Goede vraag
▪ Discipline nodig (systematisch werken) voor het uitvoeren van een
onderzoek.
Wanneer is onderzoek wetenschappelijk?
• Streven naar kennis over verschijnselen voor theorievorming
• Empirische uitspraken
o Feitelijk waarneembare uitspraken moeten het zijn.
▪ God bestaat = niet feitelijk waarneembaar dus niet wetenschappelijke
uitspraak
• Systematische benadering (methodologische spelregels):
o Toetsbare uitspraken - controleerbaar (andere wetenschappers) – repliceerbaar
(kunnen herhalen)
, • Wetenschap is systematische theorievorming
o Je bouwt door op andere theorieën (cumulatief)
Typen onderzoek (Gaat vaak samen)
• Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek
o Voor kennisproblemen (nog niet genoeg kennis over een bepaald onderwerp)
o Doel: ontwikkeling of toetsing theorieën
• Praktijkgericht (toegepast) wetenschappelijk onderozek
o Voor praktijkproblemen (mensen in de praktijk(Scholoen) die een probleem
constateren. Er is kennis nodig om het probleem op te lossen)
▪ De onderzoekers zorgen dat er genoeg kennis is om het probleem op te
lossen
▪ NIET: DE BESLUITVORMING VOOR HET PROBLEEM
o Doel: kennis voor besluitvorming bij praktijkproblemen
Empirische cyclus
• Observatie (probleem geconstateerd)
o AOLB studenten houden van het lezen van kinderboeken
• Inductie (algemene uitspraken gevormd)
o De theorie is: alle AOLB studenten houden van het lezen
van kinderen
• Deductie (Specifieke uitspraken gevormd die er worden
getoetst)
o Toetsbare uitspraak: Alle studenten in de cursus
methode en technieken in 2023-2024 houden van
het lezen van kinderboeken
o Het kan zijn dat er al eerdere onderzoeken zijn gedaan
naar dit onderwerp → kun je naar kijken voordat je gaat
toetsen
• Toetsing (De uitspraken worden getoetst)
o Iedereen wordt individueel gevraagd of ze van het lezen
van kinderboeken houden
• Evaluatie (resultaten worden geëvalueerd)
o ER zijn een paar studenten die het lezen van kinderboeken niet leuk vinden Dus: Niet
alle studenten houden van het lezen van kinderenboeken →
o observatie aangepast naar: bijna alle studenten van de AOLB houden van het lezen
van kinderboeken
Deductie van hypothesen
• Kun je zien als een: Deductief-Nomologisch model (Hempel, 1965)
o Toetsen van wetmatigheden
o Specifieke uitspraken afleiden uit algemene uitspraken over de empirische
werkelijkheid
o Theorie (wetmatigheden met goed gedefinieerde begrippen) & aannames → logische
toetsbare hypotheses.
,Theorie: “Alle vogels kunnen vliegen.”
Aanname: Dit is een vogel.
Hypothese: Deze vogel kan vliegen.
Empirische waarneming: Dit is een vogel, maar het vliegt niet!
Toetsing: Hypothese is gefalsificeerd
Evaluatie: Conclusie: ‘Geen vogel’ of ‘In tegenspraak met theorie’
kwantitatief: data in getallen aangeven, statistiek
en numerieke data, experimenten, opnames en
enquêtes
meer subjectief
observaties
interpreteren van
Kwalitatief: subjectief, beter proberen te
begrijpen van je doelgroep
Twee benaderingen
• Empirisch-analytische benadering
o Nomothetische kennis: kennis waarin ‘wetten’ (regelmatigheden) geformuleerd
worden
o Komen tot generaliseerbare uitspraken (geldend voor hele populatie)
o Derdepersoonsperspectief: de onderzoeker kijkt en observeert van buitenaf
o Nadruk op kwantitatief onderzoek
• Emprisch-interpretatieve benadering
o Eerstepersoonsperspectief: onderzoekers proberen zoveel mogelijk “door de ogen te
kijken” van degenen die zij bestuderen
o Nadruk op kwalitatief onderzoek
Probleemstelling in onderzoeksplan
• Probleemstelling = vraagstelling + doelstelling + theoretisch raamwerk
• Vraagstelling = Wat wil je weten?
o Fundamenteel onderzoek
▪ Hiaten/tegenstrijdigheden in de wetenschappelijke kennis
o Praktijkgericht onderzoek:
▪ Probleem afkomstig van opdrachtgever
▪ Vaag/globale weergave van het probleem >> concretiseren
▪ Huidige vs. gewenste situatie
• Doelstelling = Waarom wil je dit weten, waarom belangrijk?
o .. inzicht te krijgen in…
o Relevantie: theoretisch, praktijkgericht of beide
(omdat je het leuk vindt is niet de doelstelling)
• Theoretisch raamwerk = conceptueel model
o Wat is er al bekend → zet je om in een concepueel
model
, Type vraagstellingen
• Beschrijvende vraagstellingen
o De situatie beschrijven zoals het is
o Wat is een vogel precies → hoe kunnen we het begrip vogels goed definiëren
▪ Wat is het percentage Nederlanders dat gevaccineerd is tegen Covid-19?
• Verklarende vraagstellingen >> causaliteit
o Oorzaak en gevolg = X → Y
o Je wil een verklaring zoeken over gevolg Y
▪ Waarom hebben sommige groepen Nederlanders een negatieve houding
t.o.v. vaccineren tegen Covid-19?
• Voorspellende vraagstellingen >> causaliteit
o Oorzaak en gevolg
o Je wil een gevolg zoeken voor een verklaring X
▪ Leidt de huidige vaccinatiegraad in Nederland tot minder Covid-19
besmettingen de komende tijd?
Type kwantitatieve onderzoeksvragen
• Frequentievragen (beschrijvende vraagstelling)
o Hoevaak komt iets voor, hoeveel is er etc.
▪ Aantal minuten bewegingstijd per gymles
• Verschilvragen (vaak beschrijvende vraagstellingen maar soms ook gepresenteerd als
causaliteit vragen)
o In welke mate zijn er verschillen tussen groepen of een voor-na meting
▪ In welke mate is er verschil tussen jongens en meisjes bewegingstijd tijdens
de gymles
▪ Wat is het verschil van voor en na het inzetten van een activiteit qua
bewegingstijd in de gymles
• Samenhangvragen(vaak beschrijvende vraagstellingen maar soms ook gepresenteerd als
causaliteit vragen)
o In hoeverre is er een relatie tussen ….. en …..
▪ Hoe hangt de type instructie van de leerkracht samen met de
bewegingsminuten van de leerlingen tijdens de gymles
Goede kwantitatieve onderzoeksvragen
• Relevant & specifiek: