Begrippenlijst voor Ziekte en Medicijnen
1. Aanvullend specifiek onderzoek: Extra tests die kunnen worden afgenomen om te kijken
of een diagnose klopt (?)
2. Acute ziekte: Ziekte vertoont plotseling een begin. Plotseling intredende, soms ernstig tot
gevaarlijk verlopende ziekten, waarbij de toestand van de zieke verhoudingsgewijs snel
wisselt
3. ADME: De processes in farmacokinetiek (absorption, distribution, metabolism, excretion).
4. Adrenaline: A hormone that prepares the body for “fright, flight or fight”; also called
epinephrine.
5. Adverse event: An unanticipated event that involves risk to the subject and that results in
harm to the subject or other (Een onverwachte gebeurtenis die risico's met zich meebrengt
voor het onderwerp en die resulteert in schade aan het onderwerp of aan een ander)
6. Affinity: A measure of the binding of an antibody to an antigen (een maat voor de binding
van een antilichaam aan een antigeen)
7. Agonist: Een signaalmolecuul dat bij binding aan een receptor een biologisch proces
activeert.
8. Amide: An organic compound containing an (O–C–N) group
9. Amine: An organic compound with the general formula of R3–xNHx, where R is a
hydrocarbon group and 0<x <3
10. Amino acid: An organic compound containing an amino group (–NH2) and a carboxyl group
(–COOH)
11. Aminotransferase: An enzyme that catalyzes the transfer of an amino group to an acid.
(enzym dat overdracht van aminogroep naar een zuur katalyseert).
12. Amyloid: A glycoprotein that is deposited extracellularly in tissues (glycoproteïne dat
extracellulair in weefsels wordt afgezet).
13. Anatomie: De bouw van het menselijk lichaam
14. Anamnese: Gesprek tussen arts en patiënt over de klachten waarmee de patiënt gekomen
is.
15. Anemie: Bloedarmoede.
16. Angiogenese: Een lichaamsproces waarbij nieuwe bloedvaten worden gevormd, uit al
bestaande bloedvaten.
17. Angiotensin: A peptide. There are two forms of angiotensin I and II. Angiotensin I is
converted to angiotensin II by an enzyme, angiotensin-converting enzyme. Angiotensin II
constricts blood vessels to increase blood pressure.
18. Antagonist: Een stof die zich bindt aan een receptor zonder een biologische respons op te
roepen en daarmee de werking van een agonist dempt of bij verzadiging van de receptor
zelfs verhindert.
19. Antibody: A protein secreted by B cells when they are stimulated by an antigen. Antibodies
act specifically against particular antigens in an immune response
20. Ascites: Abnormal accumulation of serous fluid in the spaces between tissues and organs
in the cavity of the abdomen
21. Aseptic: Preventing infection, free or free from pathogenic microorganisms
22. Assay: medische toetsing
23. Attrition rate: Percentage waarmee een hoeveelheid verminderd wordt over een bepaalde
tijd.
24. Avidity: Strength of binding, especially the binding of an antibody to an antigen
25. Bacillus: Rod-shaped bacteria
26. Bacteriophage: A type of virus that destroys bacteria; also called phage
27. Bioavailability: Een subcategorie van absorptie en is de fractie van een toegediende dosis
onveranderd geneesmiddel die de systemische circulatie bereikt. Het is een van de
belangrijkste farmacokinetische eigenschappen van geneesmiddelen. Per definitie, wanneer
een medicijn intraveneus wordt toegediend, is de biologische beschikbaarheid 100%
1. Aanvullend specifiek onderzoek: Extra tests die kunnen worden afgenomen om te kijken
of een diagnose klopt (?)
2. Acute ziekte: Ziekte vertoont plotseling een begin. Plotseling intredende, soms ernstig tot
gevaarlijk verlopende ziekten, waarbij de toestand van de zieke verhoudingsgewijs snel
wisselt
3. ADME: De processes in farmacokinetiek (absorption, distribution, metabolism, excretion).
4. Adrenaline: A hormone that prepares the body for “fright, flight or fight”; also called
epinephrine.
5. Adverse event: An unanticipated event that involves risk to the subject and that results in
harm to the subject or other (Een onverwachte gebeurtenis die risico's met zich meebrengt
voor het onderwerp en die resulteert in schade aan het onderwerp of aan een ander)
6. Affinity: A measure of the binding of an antibody to an antigen (een maat voor de binding
van een antilichaam aan een antigeen)
7. Agonist: Een signaalmolecuul dat bij binding aan een receptor een biologisch proces
activeert.
8. Amide: An organic compound containing an (O–C–N) group
9. Amine: An organic compound with the general formula of R3–xNHx, where R is a
hydrocarbon group and 0<x <3
10. Amino acid: An organic compound containing an amino group (–NH2) and a carboxyl group
(–COOH)
11. Aminotransferase: An enzyme that catalyzes the transfer of an amino group to an acid.
(enzym dat overdracht van aminogroep naar een zuur katalyseert).
12. Amyloid: A glycoprotein that is deposited extracellularly in tissues (glycoproteïne dat
extracellulair in weefsels wordt afgezet).
13. Anatomie: De bouw van het menselijk lichaam
14. Anamnese: Gesprek tussen arts en patiënt over de klachten waarmee de patiënt gekomen
is.
15. Anemie: Bloedarmoede.
16. Angiogenese: Een lichaamsproces waarbij nieuwe bloedvaten worden gevormd, uit al
bestaande bloedvaten.
17. Angiotensin: A peptide. There are two forms of angiotensin I and II. Angiotensin I is
converted to angiotensin II by an enzyme, angiotensin-converting enzyme. Angiotensin II
constricts blood vessels to increase blood pressure.
18. Antagonist: Een stof die zich bindt aan een receptor zonder een biologische respons op te
roepen en daarmee de werking van een agonist dempt of bij verzadiging van de receptor
zelfs verhindert.
19. Antibody: A protein secreted by B cells when they are stimulated by an antigen. Antibodies
act specifically against particular antigens in an immune response
20. Ascites: Abnormal accumulation of serous fluid in the spaces between tissues and organs
in the cavity of the abdomen
21. Aseptic: Preventing infection, free or free from pathogenic microorganisms
22. Assay: medische toetsing
23. Attrition rate: Percentage waarmee een hoeveelheid verminderd wordt over een bepaalde
tijd.
24. Avidity: Strength of binding, especially the binding of an antibody to an antigen
25. Bacillus: Rod-shaped bacteria
26. Bacteriophage: A type of virus that destroys bacteria; also called phage
27. Bioavailability: Een subcategorie van absorptie en is de fractie van een toegediende dosis
onveranderd geneesmiddel die de systemische circulatie bereikt. Het is een van de
belangrijkste farmacokinetische eigenschappen van geneesmiddelen. Per definitie, wanneer
een medicijn intraveneus wordt toegediend, is de biologische beschikbaarheid 100%