Persoonlijkheidspsychologische
theorieën
Persoonlijkheidspsychologie
Persoonlijkheid: Verzameling van stabiele en unieke psychische
en gedragsmatige kenmerken die ongeveer gelijkaardig zijn.
Temperament: Het aangeboren gedeelte van de persoonlijkheid.
Prenataal al tot uiting.
Karakter: Synoniem voor persoonlijkheid. De morele kant van
iemands persoonlijkheid.
Gewoontes: Aangeleerde manieren waarop men typisch
reageert, kan afgeleerd worden.
Dispositie: Stabiel, duurzaam, niet-lichamelijk kenmerk dat
mensen van elkaar onderscheidt. Men heeft een trek als je een
bepaald gedrag vaak vertoont.
Persoonlijkheidsstoornis: Psychische stoornissen die het
dagelijkse functioneren verstoren. VB: Borderline
Stromingen in de
persoonlijkheidspsychologie
Biologisch perspectief
Biologische factoren: Vormen de basis van
persoonlijkheidseigenschappen.
Neurobiologie: Focus op het zenuwstelsel en de werking van de
hersenen.
Gedragsgenetica: Onderzoekt de effecten van erfelijkheid op het
gedrag.
Bestudeert de correlatie tussen persoonlijkheidskenmerken, en
onze genen.
De manier waarop genetische factoren onze gedragspatronen
en persoonlijkheid beïnvloeden.
1
, Evolutionaire psychologie: De invloed die onze genen hebben bij
overleving en adaptatie. Stelt vast dat onze persoonlijkheid
diepe evolutionaire wortels heeft.
Psychoanalyse
Onbewuste: Bestaat uit ervaringen, motieven, … die zo
bedreigend zijn, dat ze niet tot ons bewuste worden toegelaten
(Verdringing).
Onderbewuste: Herinneringen waar we ons op dat moment niet
van bewust zijn.
Bewuste: Waar we op dat moment bewust van zijn.
3 bewustzijnsniveaus:
Es (het):
Driften of reflexen.
Eros: Seks- of levensdrift. De behoefte die de mens nodig heeft
om te overleven.
Thanatos: Agressie- of doodsdrift.
Lustprincipe: Streeft naar het aangename, en vermijd het
onaangename.
Ich (Ik):
Het zelfbewustzijn groeit. Het bewuste rationele deel van onze
geest.
Realiteitsprincipe: Het lustprincipe is niet-rationeel en
buitensporig. We beheersen onze driften.
Über-Ich (boven-ik):
Kinderen ontwikkelen het geweten, wat wel en wat niet kan.
Sociaal-cognitieve theorieën
Wederzijds determinisme: Voor inzicht in de hele mens, is inzicht
in de voortdurende interactie tussen de cognities en
2
theorieën
Persoonlijkheidspsychologie
Persoonlijkheid: Verzameling van stabiele en unieke psychische
en gedragsmatige kenmerken die ongeveer gelijkaardig zijn.
Temperament: Het aangeboren gedeelte van de persoonlijkheid.
Prenataal al tot uiting.
Karakter: Synoniem voor persoonlijkheid. De morele kant van
iemands persoonlijkheid.
Gewoontes: Aangeleerde manieren waarop men typisch
reageert, kan afgeleerd worden.
Dispositie: Stabiel, duurzaam, niet-lichamelijk kenmerk dat
mensen van elkaar onderscheidt. Men heeft een trek als je een
bepaald gedrag vaak vertoont.
Persoonlijkheidsstoornis: Psychische stoornissen die het
dagelijkse functioneren verstoren. VB: Borderline
Stromingen in de
persoonlijkheidspsychologie
Biologisch perspectief
Biologische factoren: Vormen de basis van
persoonlijkheidseigenschappen.
Neurobiologie: Focus op het zenuwstelsel en de werking van de
hersenen.
Gedragsgenetica: Onderzoekt de effecten van erfelijkheid op het
gedrag.
Bestudeert de correlatie tussen persoonlijkheidskenmerken, en
onze genen.
De manier waarop genetische factoren onze gedragspatronen
en persoonlijkheid beïnvloeden.
1
, Evolutionaire psychologie: De invloed die onze genen hebben bij
overleving en adaptatie. Stelt vast dat onze persoonlijkheid
diepe evolutionaire wortels heeft.
Psychoanalyse
Onbewuste: Bestaat uit ervaringen, motieven, … die zo
bedreigend zijn, dat ze niet tot ons bewuste worden toegelaten
(Verdringing).
Onderbewuste: Herinneringen waar we ons op dat moment niet
van bewust zijn.
Bewuste: Waar we op dat moment bewust van zijn.
3 bewustzijnsniveaus:
Es (het):
Driften of reflexen.
Eros: Seks- of levensdrift. De behoefte die de mens nodig heeft
om te overleven.
Thanatos: Agressie- of doodsdrift.
Lustprincipe: Streeft naar het aangename, en vermijd het
onaangename.
Ich (Ik):
Het zelfbewustzijn groeit. Het bewuste rationele deel van onze
geest.
Realiteitsprincipe: Het lustprincipe is niet-rationeel en
buitensporig. We beheersen onze driften.
Über-Ich (boven-ik):
Kinderen ontwikkelen het geweten, wat wel en wat niet kan.
Sociaal-cognitieve theorieën
Wederzijds determinisme: Voor inzicht in de hele mens, is inzicht
in de voortdurende interactie tussen de cognities en
2