Probleem 1.1
Hoofdstuk 9: cognitive development in early childhood
Jonge kinderen/ infants (0-12 maanden): begrijpen de wereld door waarnemen en hierop te
reageren door zien, horen, voelen, proeven en doen.
Kleuter/todler (1-3 jaar): mentale representaties ontstaan waardoor ze aan dingen kunnen
denken die niet fysiek aanwezig zijn. Ze kunnen nadenken over de gevolgen zonder te
handelen en ontwikkelen het vermogen om symbolen te combineren om meer complexere
ideeën uit te drukken.
Preschooler (3-5 jaar): kunnen nadenken over hoe dingen werken en waarom dingen
gebeuren. Kinderen zijn actieve deelnemers in hun eigen ontwikkeling. Ze zijn constant aan
het zoeken naar algemene patronen en regels. Ook is er een samenspel tussen de
ontwikkeling en de omgeving door feedback en sociale interactie.
Limitaties in denkniveau: moeilijkheden met integreren van meerdere stukken informatie:
centration (neiging om maar een stuk informatie te evalueren wanneer meerdere stukken
informatie relevant zijn). Ook hebben ze moeite met het onderscheiden van realiteit en
schijn: appearance-reality problem. Ze definiëren realiteit door oppervlakkige kenmerken
(wanneer je naar een wit object kijkt, daarna naar hetzelfde object maar met een blauwe
filter denken kinderen dat het van kleur wisselt). Ook hebben ze moeite met het managen
van aandachts- en geheugenprocessen. Piaget dacht dat kinderen egocentrisme hadden:
onvermogen om het perspectief van een ander aan te nemen, maar bij simpele problemen
kunnen de kinderen het wel.
Vermogen om te redeneren bij preschoolers
Pre-operational period (Piaget): leeftijd 2-7. Dit wordt zo genoemd omdat Piaget dacht dat
kinderen in deze periode nog geen logische operaties in hun redeneren konden gebruiken.
Ze kunnen wel gebruik maken van mentale representaties maar hun redeneren is nog niet
op logica gebaseerd of consistent.
Redeneren over causatie: Piaget onderzocht dit door middel van vragen die hij stelde aan
kinderen. Redeneren wordt beïnvloed door de complexiteit en bekendheid van het
probleem. Ze kunnen zich nog niet goed inbeelden wat een plausibele verklaring is.
Redeneren over levende en niet levende dingen: het denken van jonge kinderen zou
volgens Piaget gekarakteriseerd worden door animism: neiging om leven toe te schrijven
aan niet levende dingen. Het denken was minder erg dan Piaget dacht maar ze hebben wel
moeite met het onderscheid tussen levende en niet levende dingen. Tegen de leeftijd van 6
is dit idee meer specifiek, consistent en samenhangend geworden.
Redeneren over kwantiteit: concept of conservation: idee dat de hoeveelheid van iets gelijk
blijft ondanks veranderingen van vorm of uiterlijk. Dit is hetzelfde voor vloeistoffen,
nummers, massa en lengte. Een van de eerste begrippen van dit concept begint met
vloeistoffen, maar dit ligt ook aan ervaring van het kind. Vaak bestaat een volwassen kijk
hiervan van in middle childhood. Het alleen uitleggen van het kind over deze concepten
heeft niet veel zin, het laten zien en ervaren zorgt voor sneller leren.
Concept van getallen: een bewustzijn van hoeveel items aanwezig zijn en hoe toevoegen,
weghalen en herschikking hier invloed op heeft.
Begrijpen van toevoegen en weghalen: er is bewezen dat in deze leeftijdscategorie al een
klein begrip is van toevoegen en weghalen (optellen en aftrekken). Er ontstaan 3 regels:
,primitive (iets toevoegen zorgt altijd voor meer relatief aan iets anders, iets weghalen zorgt
voor minder – 2/3 jaar), qualitative rule (kijkt ook naar het verschil tussen twee groepen,
maar niet de grootte ervan - 4/5 jaar) en een quantitative rule (kijkt naar de grootte van het
verschil tussen twee groepen – 6/7 jaar).
Leren tellen: aan het einde van vroege kindertijd kunnen kinderen 5-6 objecten accuraat
tellen. 5 principes die kinderen leren tijdens het leren tellen (Gelman & Gallistel): aan het
einde van de preschool period hebben kinderen deze 5 principes geleerd.
One-to-one principle: het idee dat elk lid van een set dat geteld wordt hoort bij een
naam van een getal. Kinderen van 2 en 3 jaar hebben hier nog moeite mee: ze tellen
objecten meerdere keren of slaan objecten over.
Stable-order-principle: het idee dat de namen van de nummers voorkomen in een
bepaalde volgorde wanneer ze gepaard worden met objecten.
Cardinal principle: snappen dat het laatste getal in de reeks tijdens het tellen het
aantal is wat er geteld is. Dit wordt begrepen rond 3.5 jaar.
Abstraction principle: het idee dat elke set objecten telbaar is.
Order-irrelevant principle: idee dat het niet uitmaakt in welke volgorde dingen
geteld worden. Dit wordt begrepen rond 5 jaar.
Concept van meten: Piaget was van mening dat leren over conservation vereist was om
meten te snappen, maar preschool kinderen laten een idee van meting zien voordat ze
conservatie problemen kunnen oplossen. Wanneer er geen deceptie bij komt kijken snappen
kinderen vaak de basis van meten.
Samenvatten:
Preschoolers laten vaak geen begrip van het behouden van kwantiteit wanneer er
veranderingen in uiterlijk worden aangebracht. Dit deels omdat ze zich vaak focussen
op een deel van de stimulus, zoals lengte of hoogte.
Leren zorgt voor een begrip van een vaardigheid maar nog niet wanneer het kind het
cognitieve framework van de vaardigheid nog niet bezit.
Kinderen snappen redeneren over kleine hoeveelheden en nummers
Redeneren over kwantiteit is niet-volwassen maar niet random, ze volgen wel regels
in het oplossen van problemen. Deze regels veranderen met ontwikkeling.
Redeneren over klasses en logische relaties: drie vaardigheden:
Klassificatie: vermogen om dingen te ordenen op basis van eigenschappen, zoals kleur.
Clas: een set objecten of evenementen die als hetzelfde worden gezien omdat ze
eigenschappen gemeen hebben. Dit begint rond 2 jaar, maar kinderen zijn pas consistent
rond preschool leeftijd. Ze beginnen vaak met het sorteren op één eigenschap, zelfs de
5-jarigen. Rond 10 jaar kunnen ze sorteren op meer dan een dimensie. Jongere kinderen
kunnen dit vaak ook met een aanmoediging maar doen dit zelden uit zichzelf.
Seriation: vermogen om dingen te ordenen op een logische volgorde, zoals oud naar
nieuw. Rond 6-7 jaar kunnen kinderen dit met meer objecten en kunnen kinderen een
object tussen de rij leggen op de goede plaats. Preschool kinderen gebruiken vaak een
trail-and-error techniek voor sorteren, wat vaak maar werkt bij een gelimiteerd aantal.
Transive inference: vermogen om een relatie af te leiden tussen twee objecten door hun
relatie met een derde object te weten. Preschool kinderen kunnen dit, maar hebben
meer moeite dan school-age kinderen.
, Onderscheid maken tussen schijn en realiteit: kinderen van 3 jaar kunnen in sommige
situaties onderscheid maken tussen schijn en realiteit maar in de meeste situaties wordt de
realiteit overschaduwd door schijn. Aan het einde van de preschool jaren zijn kinderen hier
grotendeels overheen. Kinderen van 5 en 6 hebben nog veel te leren over de realiteit maar
hun realiteit wordt niet overschaduwd door schijn.
Aandacht en geheugenvermogens bij preschoolers
Informatie vanuit de omgeving gaat via verschillende verwerkingsstappen:
1. Sensory register: het deel van geheugen waarin waarnemingen kort worden
opgeslagen.
2. Korte termijngeheugen: dit heeft minder capaciteit dan het sensory register maar
kan informatie voor een langere periode vasthouden (meestal 10-20 seconden).
3. Lange termijngeheugen: heeft een grote capaciteit en kan informatie voor een
langere periode vasthouden.
Aandacht vaardigheden: proces wat de transfer van informatie van het sensory register naar
het werkgeheugen controleert.
Geheugen vaardigheden: proces wat zorgt voor het ophalen van informatie uit het
werkgeheugen en/of zorgt voor de transfer naar het lange termijngeheugen.
Aandacht: preschoolers hebben moeite met het selecteren van de juiste informatie om hun
aandacht op te focussen.
Geheugen: aan het einde van de preschool jaren hebben kinderen door dat een bepaalde
taak herinneren vereist, maar ze zijn niet goed in het maken van een plan om te zorgen dat
ze iets beter kunnen onthouden.
Vermogens en limitaties: preschoolers laten recognition memory (vermogen om een
bepaalde stimulus als bekend te zien) en free recall (vermogen om spontaan informatie op
te halen uit het lange termijngeheugen) zien. Tijdens de preschool jaren ontwikkelt het
autobiografisch geuheugen zich ook waarbij de eerste herinneringen van mensen vaak
beginnen vanaf 3.5/4 jaar. Preschoolers kunnen zich vaak maar 4 nummers herinneren, wat
zou kunnen komen door een lage verwerkingssnelheid (informatie verplaatst zich langzaam
van het sensory register naar het KTG) en kinderen zijn vaak minder bekend met de namen
van de nummers. Vaak zijn ze ook nog niet vaardig in het gebruiken van geheugen
strategieën.
Betrokkenheid van ouders in het geheugen van kinderen: het onthouden van evenementen
in het autobiografisch geheugen kan gefaciliteerd worden door praten over het evenement.
Ook komen ze met ideeën voor geheugen strategieën. Wel kan het zo zijn dat ze, door
leidende vragen te stellen, ervoor zorgen dat kinderen verkeerde informatie herinneren.
Sociale cognitie: het begrip van een kind over de sociale wereld. Tijdens de preschool
periode leren kinderen hoe andere kinderen denken en zich voelen en wat ze waarschijnlijk
gaan doen. Hierdoor krijgen ze begrip over hoe ze moeten communiceren.
Egocentrisme: twee soorten: perceptual: het niet kunnen onderscheiden van je eigen
perceptuele ervaring van die van een ander en cognitieve: het niet kunnen inzien van een
ander zijn cognitieve perspectief. Preschoolers hebben moeite met inleven en denken vaak
dat andere kinderen net zo veel weten of zien als zijzelf. Dit zou te maken kunnen hebben
met moeite met het onderscheid tussen schijn en realiteit. Tijdens de preschool periode
realiseren kinderen zich dat andere mensen misschien niet de dingen willen die zij willen en
gaan langzamerhand inzien wat anderen willen. Om dit te kunnen moeten kinderen zich
Hoofdstuk 9: cognitive development in early childhood
Jonge kinderen/ infants (0-12 maanden): begrijpen de wereld door waarnemen en hierop te
reageren door zien, horen, voelen, proeven en doen.
Kleuter/todler (1-3 jaar): mentale representaties ontstaan waardoor ze aan dingen kunnen
denken die niet fysiek aanwezig zijn. Ze kunnen nadenken over de gevolgen zonder te
handelen en ontwikkelen het vermogen om symbolen te combineren om meer complexere
ideeën uit te drukken.
Preschooler (3-5 jaar): kunnen nadenken over hoe dingen werken en waarom dingen
gebeuren. Kinderen zijn actieve deelnemers in hun eigen ontwikkeling. Ze zijn constant aan
het zoeken naar algemene patronen en regels. Ook is er een samenspel tussen de
ontwikkeling en de omgeving door feedback en sociale interactie.
Limitaties in denkniveau: moeilijkheden met integreren van meerdere stukken informatie:
centration (neiging om maar een stuk informatie te evalueren wanneer meerdere stukken
informatie relevant zijn). Ook hebben ze moeite met het onderscheiden van realiteit en
schijn: appearance-reality problem. Ze definiëren realiteit door oppervlakkige kenmerken
(wanneer je naar een wit object kijkt, daarna naar hetzelfde object maar met een blauwe
filter denken kinderen dat het van kleur wisselt). Ook hebben ze moeite met het managen
van aandachts- en geheugenprocessen. Piaget dacht dat kinderen egocentrisme hadden:
onvermogen om het perspectief van een ander aan te nemen, maar bij simpele problemen
kunnen de kinderen het wel.
Vermogen om te redeneren bij preschoolers
Pre-operational period (Piaget): leeftijd 2-7. Dit wordt zo genoemd omdat Piaget dacht dat
kinderen in deze periode nog geen logische operaties in hun redeneren konden gebruiken.
Ze kunnen wel gebruik maken van mentale representaties maar hun redeneren is nog niet
op logica gebaseerd of consistent.
Redeneren over causatie: Piaget onderzocht dit door middel van vragen die hij stelde aan
kinderen. Redeneren wordt beïnvloed door de complexiteit en bekendheid van het
probleem. Ze kunnen zich nog niet goed inbeelden wat een plausibele verklaring is.
Redeneren over levende en niet levende dingen: het denken van jonge kinderen zou
volgens Piaget gekarakteriseerd worden door animism: neiging om leven toe te schrijven
aan niet levende dingen. Het denken was minder erg dan Piaget dacht maar ze hebben wel
moeite met het onderscheid tussen levende en niet levende dingen. Tegen de leeftijd van 6
is dit idee meer specifiek, consistent en samenhangend geworden.
Redeneren over kwantiteit: concept of conservation: idee dat de hoeveelheid van iets gelijk
blijft ondanks veranderingen van vorm of uiterlijk. Dit is hetzelfde voor vloeistoffen,
nummers, massa en lengte. Een van de eerste begrippen van dit concept begint met
vloeistoffen, maar dit ligt ook aan ervaring van het kind. Vaak bestaat een volwassen kijk
hiervan van in middle childhood. Het alleen uitleggen van het kind over deze concepten
heeft niet veel zin, het laten zien en ervaren zorgt voor sneller leren.
Concept van getallen: een bewustzijn van hoeveel items aanwezig zijn en hoe toevoegen,
weghalen en herschikking hier invloed op heeft.
Begrijpen van toevoegen en weghalen: er is bewezen dat in deze leeftijdscategorie al een
klein begrip is van toevoegen en weghalen (optellen en aftrekken). Er ontstaan 3 regels:
,primitive (iets toevoegen zorgt altijd voor meer relatief aan iets anders, iets weghalen zorgt
voor minder – 2/3 jaar), qualitative rule (kijkt ook naar het verschil tussen twee groepen,
maar niet de grootte ervan - 4/5 jaar) en een quantitative rule (kijkt naar de grootte van het
verschil tussen twee groepen – 6/7 jaar).
Leren tellen: aan het einde van vroege kindertijd kunnen kinderen 5-6 objecten accuraat
tellen. 5 principes die kinderen leren tijdens het leren tellen (Gelman & Gallistel): aan het
einde van de preschool period hebben kinderen deze 5 principes geleerd.
One-to-one principle: het idee dat elk lid van een set dat geteld wordt hoort bij een
naam van een getal. Kinderen van 2 en 3 jaar hebben hier nog moeite mee: ze tellen
objecten meerdere keren of slaan objecten over.
Stable-order-principle: het idee dat de namen van de nummers voorkomen in een
bepaalde volgorde wanneer ze gepaard worden met objecten.
Cardinal principle: snappen dat het laatste getal in de reeks tijdens het tellen het
aantal is wat er geteld is. Dit wordt begrepen rond 3.5 jaar.
Abstraction principle: het idee dat elke set objecten telbaar is.
Order-irrelevant principle: idee dat het niet uitmaakt in welke volgorde dingen
geteld worden. Dit wordt begrepen rond 5 jaar.
Concept van meten: Piaget was van mening dat leren over conservation vereist was om
meten te snappen, maar preschool kinderen laten een idee van meting zien voordat ze
conservatie problemen kunnen oplossen. Wanneer er geen deceptie bij komt kijken snappen
kinderen vaak de basis van meten.
Samenvatten:
Preschoolers laten vaak geen begrip van het behouden van kwantiteit wanneer er
veranderingen in uiterlijk worden aangebracht. Dit deels omdat ze zich vaak focussen
op een deel van de stimulus, zoals lengte of hoogte.
Leren zorgt voor een begrip van een vaardigheid maar nog niet wanneer het kind het
cognitieve framework van de vaardigheid nog niet bezit.
Kinderen snappen redeneren over kleine hoeveelheden en nummers
Redeneren over kwantiteit is niet-volwassen maar niet random, ze volgen wel regels
in het oplossen van problemen. Deze regels veranderen met ontwikkeling.
Redeneren over klasses en logische relaties: drie vaardigheden:
Klassificatie: vermogen om dingen te ordenen op basis van eigenschappen, zoals kleur.
Clas: een set objecten of evenementen die als hetzelfde worden gezien omdat ze
eigenschappen gemeen hebben. Dit begint rond 2 jaar, maar kinderen zijn pas consistent
rond preschool leeftijd. Ze beginnen vaak met het sorteren op één eigenschap, zelfs de
5-jarigen. Rond 10 jaar kunnen ze sorteren op meer dan een dimensie. Jongere kinderen
kunnen dit vaak ook met een aanmoediging maar doen dit zelden uit zichzelf.
Seriation: vermogen om dingen te ordenen op een logische volgorde, zoals oud naar
nieuw. Rond 6-7 jaar kunnen kinderen dit met meer objecten en kunnen kinderen een
object tussen de rij leggen op de goede plaats. Preschool kinderen gebruiken vaak een
trail-and-error techniek voor sorteren, wat vaak maar werkt bij een gelimiteerd aantal.
Transive inference: vermogen om een relatie af te leiden tussen twee objecten door hun
relatie met een derde object te weten. Preschool kinderen kunnen dit, maar hebben
meer moeite dan school-age kinderen.
, Onderscheid maken tussen schijn en realiteit: kinderen van 3 jaar kunnen in sommige
situaties onderscheid maken tussen schijn en realiteit maar in de meeste situaties wordt de
realiteit overschaduwd door schijn. Aan het einde van de preschool jaren zijn kinderen hier
grotendeels overheen. Kinderen van 5 en 6 hebben nog veel te leren over de realiteit maar
hun realiteit wordt niet overschaduwd door schijn.
Aandacht en geheugenvermogens bij preschoolers
Informatie vanuit de omgeving gaat via verschillende verwerkingsstappen:
1. Sensory register: het deel van geheugen waarin waarnemingen kort worden
opgeslagen.
2. Korte termijngeheugen: dit heeft minder capaciteit dan het sensory register maar
kan informatie voor een langere periode vasthouden (meestal 10-20 seconden).
3. Lange termijngeheugen: heeft een grote capaciteit en kan informatie voor een
langere periode vasthouden.
Aandacht vaardigheden: proces wat de transfer van informatie van het sensory register naar
het werkgeheugen controleert.
Geheugen vaardigheden: proces wat zorgt voor het ophalen van informatie uit het
werkgeheugen en/of zorgt voor de transfer naar het lange termijngeheugen.
Aandacht: preschoolers hebben moeite met het selecteren van de juiste informatie om hun
aandacht op te focussen.
Geheugen: aan het einde van de preschool jaren hebben kinderen door dat een bepaalde
taak herinneren vereist, maar ze zijn niet goed in het maken van een plan om te zorgen dat
ze iets beter kunnen onthouden.
Vermogens en limitaties: preschoolers laten recognition memory (vermogen om een
bepaalde stimulus als bekend te zien) en free recall (vermogen om spontaan informatie op
te halen uit het lange termijngeheugen) zien. Tijdens de preschool jaren ontwikkelt het
autobiografisch geuheugen zich ook waarbij de eerste herinneringen van mensen vaak
beginnen vanaf 3.5/4 jaar. Preschoolers kunnen zich vaak maar 4 nummers herinneren, wat
zou kunnen komen door een lage verwerkingssnelheid (informatie verplaatst zich langzaam
van het sensory register naar het KTG) en kinderen zijn vaak minder bekend met de namen
van de nummers. Vaak zijn ze ook nog niet vaardig in het gebruiken van geheugen
strategieën.
Betrokkenheid van ouders in het geheugen van kinderen: het onthouden van evenementen
in het autobiografisch geheugen kan gefaciliteerd worden door praten over het evenement.
Ook komen ze met ideeën voor geheugen strategieën. Wel kan het zo zijn dat ze, door
leidende vragen te stellen, ervoor zorgen dat kinderen verkeerde informatie herinneren.
Sociale cognitie: het begrip van een kind over de sociale wereld. Tijdens de preschool
periode leren kinderen hoe andere kinderen denken en zich voelen en wat ze waarschijnlijk
gaan doen. Hierdoor krijgen ze begrip over hoe ze moeten communiceren.
Egocentrisme: twee soorten: perceptual: het niet kunnen onderscheiden van je eigen
perceptuele ervaring van die van een ander en cognitieve: het niet kunnen inzien van een
ander zijn cognitieve perspectief. Preschoolers hebben moeite met inleven en denken vaak
dat andere kinderen net zo veel weten of zien als zijzelf. Dit zou te maken kunnen hebben
met moeite met het onderscheid tussen schijn en realiteit. Tijdens de preschool periode
realiseren kinderen zich dat andere mensen misschien niet de dingen willen die zij willen en
gaan langzamerhand inzien wat anderen willen. Om dit te kunnen moeten kinderen zich