3.2:
conserveren: manieren om de houdbaarheid van voedsel te verlengen;
Luchtsamenstelling beïnvloeden→door afwezigheid van 0 kunnen bacteriën zich niet
2
vermeerderen. Bij sommige producten vergroot het toevoegen van lucht met weinig 0 2
de houdbaarheid (verpakte groenten bv).
vriesdrogen→ drogen bij lage temperaturen.
veel suiker of zout toevoegen→ de hoge concentratie zout of suiker onttrekt water
aan de bacteriën en schimmels, waardoor ze doodgaan.
conserveringsmiddelen gebruiken→dit zijn stoffen die schimmels en bacteriën
tegenhouden, dood of de houdbaarheid van een product verlengt.→de vermelding
van een E-nummer houdt in dat het conserveringsmiddel is goedgekeurd in de EU.
temperatuurbehandeling toepassen→Behandeling met hoge temperaturen doodt
bacteriën, maar soms gaat dit ten koste van de smaak en/of structuur; Als je de
schade wilt beperken, dan kun je het pasteuriseren, dat is verhitten bij 70 C, maar
o
bacteriesporen overleven dit. Steriliseren gebeurt bij een temperatuur van 120 C, dit
0
doodt ook de sporen van bacteriën. Sterilisatie gebeurt maar heel kort, waardoor de
smaak hetzelfde blijft.
Doorstralen→doorstralen met gammastralingen om zo schimmels te doden.
→Voordeel is dat de stralingen dwars door de verpakking heen gaat, zodat
conservering van een product in verpakte vorm mogelijk is. Nieuwe besmettingen zijn
dan uitgesloten.
Natuurwetenschappelijk onderzoek: (natuurwetenschappelijke methode)
1. Je gaat na hoe een proces verloopt zonder wat te doen, je doet een vooronderzoek—
> hieruit volgt een waarneming.
2. Je gebruikt het vooronderzoek voor het formuleren van een onderzoeksvraag.
3. Op basis van het literatuuronderzoek (opgezochte info) en zijn waarnemingen
formuleer je een voorlopig antwoord.—> de hypothese, deze is onderbouwd met
argumenten.
4. Je maakt een werkplan waarin je beschrijft hoe je het onderzoek gaat uitvoeren (de
methode), welke materialen je gebruikt en de concentraties van de stoffen die je
gebruikt→een goede methode zorgt ervoor dat anderen de proef kunnen herhalen.
Als de methode klopt komt er ongeveer dezelfde resultaten uit en is het een
betrouwbaar onderzoek. Wel moet je d’r op letten dat je onderzoek valide is; dat er
geen andere variabelen zijn die de proef beïnvloeden.
5. Je voert de proef uit en verwerkt de resultaten zowel in een tekst als in tabellen en
diagrammen.
6. Daarna trek je een conclusie, deze geeft antwoord op de onderzoeksvraag.
7. Je schrijft ook een discussie, hierin staat of de hypothese is bevestigd of niet.—> Je
geeft een verklaring voor de onderzoeksresultaten en bedenkt eventueel een
vervolgonderzoek.
3.3;
Doordat het celmembraan bestaat uit vetachtige stoffen kunnen andere vetachtige stoffen
het celmembraan ongehinderd passeren. —> CO2 en 02 zijn een uitzondering!
Diffusie: het bewegen van deeltjes van een hoge concentratie naar een lage concentratie—
> nettotransport, totdat de concentratie gelijk is. Dit kost de cel geen energie—> passief
transport.
—> In de membranen vormen verschillende eiwitten transportkanaaltjes voor stoffen die
NIET vetachtig zijn, elk type molecuul heeft z’n eigen kanaaltje. —> watermoleculen gaan via
conserveren: manieren om de houdbaarheid van voedsel te verlengen;
Luchtsamenstelling beïnvloeden→door afwezigheid van 0 kunnen bacteriën zich niet
2
vermeerderen. Bij sommige producten vergroot het toevoegen van lucht met weinig 0 2
de houdbaarheid (verpakte groenten bv).
vriesdrogen→ drogen bij lage temperaturen.
veel suiker of zout toevoegen→ de hoge concentratie zout of suiker onttrekt water
aan de bacteriën en schimmels, waardoor ze doodgaan.
conserveringsmiddelen gebruiken→dit zijn stoffen die schimmels en bacteriën
tegenhouden, dood of de houdbaarheid van een product verlengt.→de vermelding
van een E-nummer houdt in dat het conserveringsmiddel is goedgekeurd in de EU.
temperatuurbehandeling toepassen→Behandeling met hoge temperaturen doodt
bacteriën, maar soms gaat dit ten koste van de smaak en/of structuur; Als je de
schade wilt beperken, dan kun je het pasteuriseren, dat is verhitten bij 70 C, maar
o
bacteriesporen overleven dit. Steriliseren gebeurt bij een temperatuur van 120 C, dit
0
doodt ook de sporen van bacteriën. Sterilisatie gebeurt maar heel kort, waardoor de
smaak hetzelfde blijft.
Doorstralen→doorstralen met gammastralingen om zo schimmels te doden.
→Voordeel is dat de stralingen dwars door de verpakking heen gaat, zodat
conservering van een product in verpakte vorm mogelijk is. Nieuwe besmettingen zijn
dan uitgesloten.
Natuurwetenschappelijk onderzoek: (natuurwetenschappelijke methode)
1. Je gaat na hoe een proces verloopt zonder wat te doen, je doet een vooronderzoek—
> hieruit volgt een waarneming.
2. Je gebruikt het vooronderzoek voor het formuleren van een onderzoeksvraag.
3. Op basis van het literatuuronderzoek (opgezochte info) en zijn waarnemingen
formuleer je een voorlopig antwoord.—> de hypothese, deze is onderbouwd met
argumenten.
4. Je maakt een werkplan waarin je beschrijft hoe je het onderzoek gaat uitvoeren (de
methode), welke materialen je gebruikt en de concentraties van de stoffen die je
gebruikt→een goede methode zorgt ervoor dat anderen de proef kunnen herhalen.
Als de methode klopt komt er ongeveer dezelfde resultaten uit en is het een
betrouwbaar onderzoek. Wel moet je d’r op letten dat je onderzoek valide is; dat er
geen andere variabelen zijn die de proef beïnvloeden.
5. Je voert de proef uit en verwerkt de resultaten zowel in een tekst als in tabellen en
diagrammen.
6. Daarna trek je een conclusie, deze geeft antwoord op de onderzoeksvraag.
7. Je schrijft ook een discussie, hierin staat of de hypothese is bevestigd of niet.—> Je
geeft een verklaring voor de onderzoeksresultaten en bedenkt eventueel een
vervolgonderzoek.
3.3;
Doordat het celmembraan bestaat uit vetachtige stoffen kunnen andere vetachtige stoffen
het celmembraan ongehinderd passeren. —> CO2 en 02 zijn een uitzondering!
Diffusie: het bewegen van deeltjes van een hoge concentratie naar een lage concentratie—
> nettotransport, totdat de concentratie gelijk is. Dit kost de cel geen energie—> passief
transport.
—> In de membranen vormen verschillende eiwitten transportkanaaltjes voor stoffen die
NIET vetachtig zijn, elk type molecuul heeft z’n eigen kanaaltje. —> watermoleculen gaan via