6.1 Het zintuigstelsel.
Externe prikkel prikkels van buiten het lichaam.
Interne prikkels = prikkels vanuit binnen het lichaam.
Mechanische receptoren = reageren op vormen van, mechanische energie. (Bv: druk,
aanraking en geluid.)
Chemische receptoren = kunnen bepaalde moleculen in de omgeving binden.
Geoord receptoren/evenwichtsreceptoren = mechanische receptoren met zeer fijne
haartjes als de vloeistof beweegt waarin de haartjes zich bevinden, buigen de haartjes en
vervormt het celmembraan.
Tastreceptoren/drukreceptoren = mechanische receptoren waarin neen impuls ontstaat als
het celmembraan wordt gevormd door lichte aanraking of druk.
Temperatuur receptoren = reageren op warmte en kou.
Pijnreceptoren = impuls ontstaat door extreme prikkels.
Lichtreceptoren = impuls ontstaat door zichtbaar licht.
Zintuigen ontvangen externe en interne prikkels.
6.2 het oog.
Accommoderen = het boller en platter worden van de lens.
Pupilreflex = belangrijkste bescherming, het regelt de hoeveelheid licht die op het netvlies
valt.
Optisch chiasma =de kruising van de uitlopers van beide oogzenuwen.
Stereoscopie = het kijken met twee ogen en daardoor diepte zien.
Gezichtscentra = ligt in de grote hersenen, hier wordt het beeld waargenomen.
Harde oogvlies Het witte gedeelte van het oog wat om de iris heen zit
Hoornvlies De doorzichtige voorzijde van het harde oogvlies. Zorgt voor
scherp beeld.
Iris/regenboogvlies Het gekleurde gedeelte van het oog.
Pupil De opening in de iris.
Pigmenten Hierdoor wordt de kleur van de iris gevormd.
Glasachtig lichaam Een geleiachtige massa waarmee het oog voor het grootste
gedeelte is gevuld.
Vaatvlies Bevindt zich onder het harde oogvlies. Hierdoor lopen veel
bloedvaten en zorgt voor groot deel voor de voeding van het oog.
Voorste oogkamer Bevindt zich tussen het hoornvlies en de iris.
Achterste oogkamer Bevindt zich tussen de iris en de ooglens.
Ooglens Lens waardoor je heen kijkt bevindt achter de iris en de pupil.
Zorgt voor scherp beeld.
, Straalvormig lichaam Bevindt zich rondom de lens, zorgt voor scherp beeld, hierin
liggen de accomodatiespieren.
Netvlies De binnenste laag van de wand van het oog en wordt door het
glasachtig lichaam in stand gehouden. Hier bevinden zich de
lichtreceptoren. Er wordt hier een omgekeerd, verkleind beeld
gevormd.
Gele vlek Ligt in het centrum van het netvlies en met de lichtreceptoren in
de gele vlek kun je het scherpst zien.
Blinde vlek Plaats waar de oogzenuw het netvlies verlaat en waar geen
kegeltjes of staafjes voorkomen. De blinde vlek bevindt zich haan
de neuszijde van de gele vlek.
Oogzenuw Zenuw pal achter de gele vlek
Oogspier Spieren van je oog.
Lensbandjes De kringspier zit door middel van de lensbandjes vast aan de lens
en is belangrijk bij accommodatie.
Straalsgewijs Als de straalsgewijs lopende spieren zich samentrekken, wordt de
lopende spieren pupil groter en valt er meer licht op het netvlies. De straalsgewijs
lopende spieren trekken samen onder invloed van het
orthosympatisch zenuwstelsel.
Kringspieren: In de iris zitten kringspieren voor de pupilreflex. Bij deze
pupilreflex maken de kringspieren de iris kleiner in een omgeving
met veel licht. (accomodatiespieren).
Staafjes: Staafvormige lichtgevoelige zintuigcel in het netvlies, die een rol
speelt bij het zien bij weinig licht. Staafjes hebben een lage
drempelwaarde en liggen rondom de gele vlek.
Kegeltjes: Een van de twee soorten zintuigcellen in het oog. Kegeltjes zijn
gevoelig voor kleur. Er zijn drie typen kegeltjes.
Functie en eigenschappen staafjes:
Onderscheid licht en donker.
Waarnemen van contracten.
Bevatten lichtgevoelige pigmenten.
Zijn gevoelig voor verschillende kleuren.
Ongevoelig voor rood licht.
Functie en eigenschappen kegeltjes: