Samenvatting Scheikunde
Basis
Het atoom is het kleinste deeltje dat er bestaat. Het atoom heeft een kern waarin protonen
(+) en neutronen zitten. Om de kern lopen elektronenschillen waarin elektronen (-) in vaste
banen om de kern draaien. Hoe verder de schil zich van de kern bevindt, hoe meer
elektronen erin kunnen zitten.
Door het vormen van atoombinding(en) ontstaat er stabiele groepjes van atomen. Die
groepjes samen heten moleculen. In een molecuulformule staat welke atomen in het
molecuul zitten. In een structuurformule wordt getekend hoe de atomen in een molecuul
onderling verbonden zijn
Het atoomnummer is het aantal protonen in de kern van het atoom. In een neutraal atoom
is het aantal elektronen gelijk aan het aantal protonen. Een atoom kan een chemische
reactie ondergaan, waardoor het aantal elektronen veranderd en het atoom een lading
krijgt. Het aantal protonen kan nooit veranderen.
Isotopen zijn atomen met hetzelfde aantal protonen maar een ander aantal neutronen in de
kern. Isotopen hebben dus hetzelfde atoomnummer, maar een andere massa. Om isotopen
van elkaar te onderscheiden wordt het massagetal gebruikt. Massagetal = aantal protonen +
aantal neutronen.
Het aantal protonen wordt links onder het atoomsymbool gezet, het aantal neutronen
linksboven. bevat 8 protonen en 16 neutronen.
Dus:
Atoomnummer = totaal aantal protonen in de kern.
Massagetal = totaal aantal protonen en neutronen in de kern.
Een element is een stof die uit één soort atoom bestaat.
Een verbinding is een stof die uit meerdere atoomsoorten bestaat.
Een element kun je niet ontleden, een verbinding wel.
Een ion is een geladen deeltje. Als het deeltje elektronen afstaat wordt het positief, als het
elektronen opneemt wordt het negatief.
Een neutron is ongeladen. Een proton en een elektron hebben een even grote lading, alleen
is een proton positief geladen en een elektron negatief geladen. De lading wordt uitgedrukt
in elementair ladingskwantum (e). Het elementair ladingskwantum is de kleinst mogelijke
lading die kan voorkomen.
, Niet-metalen hebben al een behoorlijk volle buitenste schil, ze komen vaak nog maar 1 of 2
elektronen te kort voor de edelgasconfiguratie. Die elektronen verkrijgen ze door een
binding aan te gaan met een ander niet-metaalatoom. De atomen laten de buitenste schil
overlappen en plaatsen in deze gedeelde schil een elektron. Ze hebben nu een
atoombinding met een gedeeld elektronenpaar, waardoor allebei de atomen de
edelgasconfiguratie bereiken.
Een atoombinding wordt ook wel een covalente binding genoemd. De covalentie van een
element is het aantal atoombindingen dat het moet vormen om de edelgasconfiguratie te
bereiken. De covalentie kun je aflezen in het periodiek systeem: F heeft een covalentie van
1, O heeft een covalentie van 2, etc.
Elektronegativiteit is de mate waarin een atoom aan elektronen trekt. Hoe hoger de
elektronegativiteit, hoe sterker het aan de atomen trekt.
Δ EN Type binding tussen de atomen
Kleiner dan 0,5 Apolair covalente binding
Tussen 0,5 en 1,6 Polair covalente binding
Groter dan 1,6 Ionogene binding
Organische chemie en voeding
Vetten zijn opgebouwd uit glycerol en drie vetzuren, samen vormen ze een
triglyceride. Essentiële vetzuren kan je lichaam niet zelf maken, deze moeten dus wel
in het voedsel voorkomen. Een vetzuur kan verzadigd of onverzadigd zijn.
Verzadigd → molecuul zonder dubbele bindingen met het maximale aantal H-atomen
waardoor de keten recht is. Dierlijke vetten bevatten veel verzadigde verzuren.
Onverzadigd → molecuul met dubbele bindingen die niet het maximale H-atomen
heeft waardoor de keten niet recht is. Plantaardige oliën en vis bevatten veel
onverzadigde vetzuren.
Oliën → onverzadigde vetzuren, zijn vloeibaar bij kamertemperatuur.
Vet → verzadigde vetzuren, zijn vast bij kamertemperatuur.
hydrolyse
condensatie
Basis
Het atoom is het kleinste deeltje dat er bestaat. Het atoom heeft een kern waarin protonen
(+) en neutronen zitten. Om de kern lopen elektronenschillen waarin elektronen (-) in vaste
banen om de kern draaien. Hoe verder de schil zich van de kern bevindt, hoe meer
elektronen erin kunnen zitten.
Door het vormen van atoombinding(en) ontstaat er stabiele groepjes van atomen. Die
groepjes samen heten moleculen. In een molecuulformule staat welke atomen in het
molecuul zitten. In een structuurformule wordt getekend hoe de atomen in een molecuul
onderling verbonden zijn
Het atoomnummer is het aantal protonen in de kern van het atoom. In een neutraal atoom
is het aantal elektronen gelijk aan het aantal protonen. Een atoom kan een chemische
reactie ondergaan, waardoor het aantal elektronen veranderd en het atoom een lading
krijgt. Het aantal protonen kan nooit veranderen.
Isotopen zijn atomen met hetzelfde aantal protonen maar een ander aantal neutronen in de
kern. Isotopen hebben dus hetzelfde atoomnummer, maar een andere massa. Om isotopen
van elkaar te onderscheiden wordt het massagetal gebruikt. Massagetal = aantal protonen +
aantal neutronen.
Het aantal protonen wordt links onder het atoomsymbool gezet, het aantal neutronen
linksboven. bevat 8 protonen en 16 neutronen.
Dus:
Atoomnummer = totaal aantal protonen in de kern.
Massagetal = totaal aantal protonen en neutronen in de kern.
Een element is een stof die uit één soort atoom bestaat.
Een verbinding is een stof die uit meerdere atoomsoorten bestaat.
Een element kun je niet ontleden, een verbinding wel.
Een ion is een geladen deeltje. Als het deeltje elektronen afstaat wordt het positief, als het
elektronen opneemt wordt het negatief.
Een neutron is ongeladen. Een proton en een elektron hebben een even grote lading, alleen
is een proton positief geladen en een elektron negatief geladen. De lading wordt uitgedrukt
in elementair ladingskwantum (e). Het elementair ladingskwantum is de kleinst mogelijke
lading die kan voorkomen.
, Niet-metalen hebben al een behoorlijk volle buitenste schil, ze komen vaak nog maar 1 of 2
elektronen te kort voor de edelgasconfiguratie. Die elektronen verkrijgen ze door een
binding aan te gaan met een ander niet-metaalatoom. De atomen laten de buitenste schil
overlappen en plaatsen in deze gedeelde schil een elektron. Ze hebben nu een
atoombinding met een gedeeld elektronenpaar, waardoor allebei de atomen de
edelgasconfiguratie bereiken.
Een atoombinding wordt ook wel een covalente binding genoemd. De covalentie van een
element is het aantal atoombindingen dat het moet vormen om de edelgasconfiguratie te
bereiken. De covalentie kun je aflezen in het periodiek systeem: F heeft een covalentie van
1, O heeft een covalentie van 2, etc.
Elektronegativiteit is de mate waarin een atoom aan elektronen trekt. Hoe hoger de
elektronegativiteit, hoe sterker het aan de atomen trekt.
Δ EN Type binding tussen de atomen
Kleiner dan 0,5 Apolair covalente binding
Tussen 0,5 en 1,6 Polair covalente binding
Groter dan 1,6 Ionogene binding
Organische chemie en voeding
Vetten zijn opgebouwd uit glycerol en drie vetzuren, samen vormen ze een
triglyceride. Essentiële vetzuren kan je lichaam niet zelf maken, deze moeten dus wel
in het voedsel voorkomen. Een vetzuur kan verzadigd of onverzadigd zijn.
Verzadigd → molecuul zonder dubbele bindingen met het maximale aantal H-atomen
waardoor de keten recht is. Dierlijke vetten bevatten veel verzadigde verzuren.
Onverzadigd → molecuul met dubbele bindingen die niet het maximale H-atomen
heeft waardoor de keten niet recht is. Plantaardige oliën en vis bevatten veel
onverzadigde vetzuren.
Oliën → onverzadigde vetzuren, zijn vloeibaar bij kamertemperatuur.
Vet → verzadigde vetzuren, zijn vast bij kamertemperatuur.
hydrolyse
condensatie