Jurisprudentie overzicht week 1 t/m 7
Wanneer is er sprake van een godsdienst of levensovertuiging?
EHRM X. vs. Duitsland (10 maart 1981)
In de Duitse stad Hamburg geldt een wet op grond waarvan doden ofwel in een kist ofwel als as in
een urn begraven moeten worden op een officiële begraafplaats. Een man wil dat zijn as na zijn dood
over zijn eigen stuk grond wordt uitgestrooid, maar dit is in strijd met de Hamburgse wet. Om dit
mogelijk te maken doet de man een beroep op artikel 9 EVRM (op basis van de waarde ‘menselijke
waardigheid’), maar volgens het EHRM valt de wens van de man buiten de vrijheid van godsdienst,
omdat het geen uiting/manifestatie is van een bepaalde godsdienst of levensovertuiging, aangezien
er geen sprake is van coherentie/samenhang met betrekking tot fundamentele vraagstukken.
ð ESSENTIE: er is geen sprake van een godsdienst of levensovertuiging, omdat niet wordt
voldaan aan het vereiste van coherentie/samenhang, aangezien er geen sprake is van een
opvatting met betrekking tot fundamentele vraagstukken.
EHRM Campbell & Cosans vs. Groot-Brittannië (1982)
Twee moeders (mevrouw Campell en mevrouw Cosans) hebben een zoon, die op een school zitten
waar lijfstraffen worden toegepast en hier waren de moeders het niet mee eens. Zij beriepen zich op
artikel 2 Eerste Protocol EVRM inzake het recht van ouders om kinderen onderwijs te laten genieten
in overeenstemming met hun overtuigingen, omdat de lijfstraffen in strijd zijn met hun filosofische
overtuigingen. Het woord ‘overtuiging’ komt overeen met de betekenis ervan in artikel 9 EVRM en
dus moet er sprake zijn een overtuiging met een zekere graad van overtuiging (begrijpelijkheid),
serieusheid (ernst), cohesie (samenhang) en belangrijkheid.
Het EHRM stelt dat de claim van moeders om lijfstraffen te verbieden op de school (om het
in overeenstemming met hun overtuiging te brengen) betrekking heeft op een gewichtig en
substantieel aspect van het menselijk bestaan en gedrag. De claim van de moeders kan namelijk in
verband worden gebracht met de waarde ‘lichamelijke integriteit’. Deze waarde heeft genoeg
overtuigendheid, samenhang, ernst en belang om te vallen binnen de vrijheid van godsdienst.
ð ESSENTIE: de betekenis van het woord ‘overtuiging’ in de zin van artikel 2 Eerste Protocol
EVRM komt overeen met de betekenis van ‘overtuiging’ in de zin van artikel 9 EVRM, dus er
moet sprake zijn een overtuiging met een zekere graad van overtuiging (begrijpelijkheid),
serieusheid (ernst), cohesie (samenhang) en belangrijkheid. Er is sprake van een godsdienst
of levensovertuiging, omdat de waarde ‘lichamelijke integriteit’ voldoet aan alle vereisten.
EHRM Kimlya e.a. vs. Rusland (1 oktober 2009)
In deze zaak staat de vraag centraal of Scientology als godsdienst in de zin van artikel 9 EVRM
gekenmerkt kan worden. Het EHRM stelt dat er geen consensus bestaat over deze kwestie in de
Europese lidstaten en daarom komt het EHRM tot de conclusie dat het zich moet baseren op de
positie van de nationale autoriteiten in deze kwestie. Dus, op basis van de margin of appreciation
wordt aan de lidstaten overgelaten om te bepalen of Scientology als godsdienst in de zin van artikel 9
EVRM kan worden erkend.
ð ESSENTIE: het EHRM laat zich leiden door de stellingname van de Russische autoriteit en
komt tot de conclusie dat Scientology een godsdienst of levensovertuiging is in de zin van
artikel 9 EVRM.
1