MRI Samenvatting OP2.2
Werkcollege 1 - CRAST
MRI scanparameters die invloed hebben op CRAST:
- Field of View (FOV)
Hoe kleiner het FOV, hoe beter de spatiële resolutie
Hoe kleiner het FOV, hoe kleiner de pixels dus hoe minder signaal; SNR
- Matrix
Hoe groter het matrix, hoe meer pixels, hoe kleiner de pixels, hoe beter de spatiële
resolutie
Hoe groter het matrix, hoe kleiner de pixels, hoe minder signaal per pixel; SNR
Hoe groter het matrix, hoe meer lijnen in het matrix, hoe langer de scantijd; temporele
resolutie
- Plakdikte (slice thickness)
Hoe dikker de plak, hoe slechter de spatiële resolutie
Hoe dunner de plak, hoe beter de spatiële resolutie
Hoe dikker de plak, hoe meer signaal; SNR
- Number Signals Averaged (NSA)
Bij een verdubbeling van de NSA, wordt de SNR √2 keer beter.
De factor waarmee de NSA wordt verhoogd wordt de SNR beter.
Hoe groter de NSA, hoe langer de scantijd; temporele resolutie
- Echotijd (TE);
Hoe langer de echotijd, hoe meer T2 invloeden; contrast
Hoe korter de TE, hoe meer signaal; SNR
- Repetitietijd (TR)
Hoe langer de TR, hoe meer signaal (SNR)
Hoe langer de TR, hoe langer de scantijd; temporele resolutie
C (contrast) TE, TR
R (spatiële resolutie) Matrix, FOV, plakdikte
A (artefacten) ----------------------------------------------------------
S (signaal-ruis) NSA, TE, TR, matrix, FOV, plakdikte
T (temporele resolutie) TR, NSA, matrix
De TE en de TR zijn de contrastbepalende parameters.
Bij T2 plaatjes zijn er altijd meerdere NSA’s.
, College 1 – CRAST
Alle diagnostische beelden hebben contrast nodig, anders zijn pathologische afwijkingen
niet te zien. Er zit contrast tussen normale anatomische structuren, en contrast tussen
pathologie en anatomie. Het grote voordeel van MRI is dat MRI een heel goed weke delen
contrast heeft. Contrast is vooral belangrijk om kleine structuren te kunnen onderscheiden.
Het contrast wordt bij MRI bepaald door:
- Intrinsieke contrast parameters zoals T1 relaxatietijd van weefsel, T2 relaxatietijd van
weefsel en waterstofdichtheid (PD). Dit zijn parameters die niet handmatig geregeld
kunnen worden, het zijn weefseleigenschappen.
- Extrinsieke contrast parameters zoals TR, TE etc. Deze parameters zijn in te stellen
en dus te beïnvloeden.
Contrast in MRI is afhankelijk van:
- Verschil tussen weefsels
- Windowsetting
- Contrastmiddel
- Weging; het regelen van contrast met contrastparameters (T1- en T2-invloeden).
Bij spatiële resolutie in MRI hebben we het vooral over de grootte van de pixels en voxels.
De grootte van de voxels is afhankelijk van:
- Field of View (FOV); de grootte van het plaatje (hoe groter, hoe groter de pixels)
- Matrix (hoe groter, hoe fijner, hoe kleiner de pixels)
- Slicedikte (slice thickness);
De vraag is steeds: Wat gebeurd er met het volume van de voxels? Hoe groter dat volume
wordt, hoe slechter de spatiële resolutie. Hoe kleiner dat volume wordt, hoe beter de spatiële
resolutie.
De signaal/ruis verhouding is de verhouding tussen het signaal wat opgevangen wordt en
de ruis die altijd aanwezig is; de verhouding tussen de sterkte (amplitude) van het signaal en
de gemiddelde sterkte van de ruis. SNR is niet groter of kleiner maar beter of slechter!
De ruis wordt veroorzaakt door:
- Kosmische achtergrondruis
- Patiënt in bore
- Apparatuur
Ruis is relatief constant. De SNR is daarom vooral afhankelijk van de hoogte van het signaal.
De sterkte in het MRI signaal wordt vooral bepaald door de grote van Mxy. Deze grote wordt
beïnvloed door bijna alle parameters.
SNR beïnvloedbaar door:
- TR; hoe langer de TR, hoe hoger in de grafiek, hoe hoger Mz, dus hoe hoger Mxy,
hoe meer signaal.
- TE; hoe langer de TE, hoe meer defasering, minder signaal.
- FOV; hoe groter de voxels, hoe meer protonen daar in vallen, hoe meer signaal.
- Matrix; hoe groter de voxels, hoe meer protonen daar in vallen, hoe meer signaal.
- Slicedikte; hoe groter de voxels, hoe meer protonen daar in vallen, hoe meer signaal.
- Veldsterkte; hoe sterker het veld, hoe meer protonen parallel, hoe groter Mz, hoe
groter Mxy, hoe meer signaal.
Werkcollege 1 - CRAST
MRI scanparameters die invloed hebben op CRAST:
- Field of View (FOV)
Hoe kleiner het FOV, hoe beter de spatiële resolutie
Hoe kleiner het FOV, hoe kleiner de pixels dus hoe minder signaal; SNR
- Matrix
Hoe groter het matrix, hoe meer pixels, hoe kleiner de pixels, hoe beter de spatiële
resolutie
Hoe groter het matrix, hoe kleiner de pixels, hoe minder signaal per pixel; SNR
Hoe groter het matrix, hoe meer lijnen in het matrix, hoe langer de scantijd; temporele
resolutie
- Plakdikte (slice thickness)
Hoe dikker de plak, hoe slechter de spatiële resolutie
Hoe dunner de plak, hoe beter de spatiële resolutie
Hoe dikker de plak, hoe meer signaal; SNR
- Number Signals Averaged (NSA)
Bij een verdubbeling van de NSA, wordt de SNR √2 keer beter.
De factor waarmee de NSA wordt verhoogd wordt de SNR beter.
Hoe groter de NSA, hoe langer de scantijd; temporele resolutie
- Echotijd (TE);
Hoe langer de echotijd, hoe meer T2 invloeden; contrast
Hoe korter de TE, hoe meer signaal; SNR
- Repetitietijd (TR)
Hoe langer de TR, hoe meer signaal (SNR)
Hoe langer de TR, hoe langer de scantijd; temporele resolutie
C (contrast) TE, TR
R (spatiële resolutie) Matrix, FOV, plakdikte
A (artefacten) ----------------------------------------------------------
S (signaal-ruis) NSA, TE, TR, matrix, FOV, plakdikte
T (temporele resolutie) TR, NSA, matrix
De TE en de TR zijn de contrastbepalende parameters.
Bij T2 plaatjes zijn er altijd meerdere NSA’s.
, College 1 – CRAST
Alle diagnostische beelden hebben contrast nodig, anders zijn pathologische afwijkingen
niet te zien. Er zit contrast tussen normale anatomische structuren, en contrast tussen
pathologie en anatomie. Het grote voordeel van MRI is dat MRI een heel goed weke delen
contrast heeft. Contrast is vooral belangrijk om kleine structuren te kunnen onderscheiden.
Het contrast wordt bij MRI bepaald door:
- Intrinsieke contrast parameters zoals T1 relaxatietijd van weefsel, T2 relaxatietijd van
weefsel en waterstofdichtheid (PD). Dit zijn parameters die niet handmatig geregeld
kunnen worden, het zijn weefseleigenschappen.
- Extrinsieke contrast parameters zoals TR, TE etc. Deze parameters zijn in te stellen
en dus te beïnvloeden.
Contrast in MRI is afhankelijk van:
- Verschil tussen weefsels
- Windowsetting
- Contrastmiddel
- Weging; het regelen van contrast met contrastparameters (T1- en T2-invloeden).
Bij spatiële resolutie in MRI hebben we het vooral over de grootte van de pixels en voxels.
De grootte van de voxels is afhankelijk van:
- Field of View (FOV); de grootte van het plaatje (hoe groter, hoe groter de pixels)
- Matrix (hoe groter, hoe fijner, hoe kleiner de pixels)
- Slicedikte (slice thickness);
De vraag is steeds: Wat gebeurd er met het volume van de voxels? Hoe groter dat volume
wordt, hoe slechter de spatiële resolutie. Hoe kleiner dat volume wordt, hoe beter de spatiële
resolutie.
De signaal/ruis verhouding is de verhouding tussen het signaal wat opgevangen wordt en
de ruis die altijd aanwezig is; de verhouding tussen de sterkte (amplitude) van het signaal en
de gemiddelde sterkte van de ruis. SNR is niet groter of kleiner maar beter of slechter!
De ruis wordt veroorzaakt door:
- Kosmische achtergrondruis
- Patiënt in bore
- Apparatuur
Ruis is relatief constant. De SNR is daarom vooral afhankelijk van de hoogte van het signaal.
De sterkte in het MRI signaal wordt vooral bepaald door de grote van Mxy. Deze grote wordt
beïnvloed door bijna alle parameters.
SNR beïnvloedbaar door:
- TR; hoe langer de TR, hoe hoger in de grafiek, hoe hoger Mz, dus hoe hoger Mxy,
hoe meer signaal.
- TE; hoe langer de TE, hoe meer defasering, minder signaal.
- FOV; hoe groter de voxels, hoe meer protonen daar in vallen, hoe meer signaal.
- Matrix; hoe groter de voxels, hoe meer protonen daar in vallen, hoe meer signaal.
- Slicedikte; hoe groter de voxels, hoe meer protonen daar in vallen, hoe meer signaal.
- Veldsterkte; hoe sterker het veld, hoe meer protonen parallel, hoe groter Mz, hoe
groter Mxy, hoe meer signaal.