Examenvragen
Immunologie
Prof. P. Delputte
3de bachelor DGK
,1. De producten van sentinel cellen zijn mediatorM. Bespreek 4 types van
deze mediatoren
a. Cytokines
Speelt een rol in het activeren van bepaalde R. Een aantal worden enkel
uitgescheiden tijdens een IR. Ze worden geactiveerd wanneer bv TLR binden
aan een patho. Cytokines zijn kortlevend en kunnen lokaal of systemisch
inwerken. Ze zijn pleiotroop (=werken in op verschillende cellen) en redunant
(=hebben overlappende functies).
TNF-a wordt eerst geproduceerd, gevolgd door IL-1 en IL-6
b. Chemokines
Trekken verdedigingscellen aan tot de plek van de bacteriële invasie. Ze
worden vooral door macro’s geproduceerd om leukocyten aan te trekken.
c. Vasoactieve M
Zijn bv NOS2 (=vasodilatatie) en COX2 (=inflammatoire lipiden zoals
prostaglandinen en leukotriënen). Ze zorgen voor symptomen van acute
ontsteking (rood, zwelling, warm, functieverlies en pijn).
d. Antimicrobiële M
Ze gaan de membraan van bacteriën/schimmel of virus destabiliseren, soms
vormen ze poriën of ze binden erop.
We hebben antivirale type I interferonen, IFN-A en IFN-B. Dit komt wanneer
er schade is of vreemd DNA of RNA, zoals die van virussen.
2. Wat zijn chemokines? Leg kort uit. Welke 4 types bestaan er en hoe
werkt deze classificatie?
Trekken verdedigingscellen aan tot de plek van de bacteriële invasie. Ze worden
vooral door mestcellen geproduceerd om leukocyten aan te trekken.
Ze worden ingedeeld op basis van de cysteïne residuen en de afstand van de AZ. Ze
besturen veel inflammatoire en immuunresponsen. Ze worden geproduceerd door
SC en worden ingedeeld in 4 families; C, CC, CXC en CX3C.
3. Geef 3 verschillende voorbeelden van antimicrobiële M en bespreek
deze kort.
1. Defensines; zijn antimicrobiële peptiden die voornamelijk werken door de
structuur van bacteriële celmembranen te verstoren.
2. Cathelicidinen; vernietigen snel de lipoproteïne membranen van microben
3. Seprocidines; antimicrobiële serine protease, gevonden in primaire granules en
neutrofielen
4. Wat zijn neutrofielen, bespreek deze kort.
Zijn fagocyterende WBC. Ze komen tot de plaats van bestemming dmv chemotaxis.
Ze zijn kortlevend en gaan vaak dood na fagocytose. Ze bevatten veel granules wat
oa bestaat uit toxische stoffen, dit moet meteen kunnen werken en daarom zit dit al
klaar. 40-60% van de WBC zijn Neu, maar 1-2% zit in de BB. In de lever, milt, longen
en beenmerg zit enorm veel. Ze zijn tamelijk groot, maar kunnen door het endotheel
verplaatsen naar de plaats van infectie.
, 5. Bespreek de migratie van neutrofielen vanuit de bloedsomloop.
Gebruik hiervoor een tekening en duid belangrijke componenten van
dit proces aan.
Start dmv chemotaxis (oa CXCL8 en TNF-a); worden M uitgescheiden waardoor de
Neu kunnen aanvoelen (receptor gradiënt) waar ze heen moeten. We krijgen een
transistente binding tussen L-selectine (van de neu) en P-selectine (van de
endotheelcel), dit is een zwakke binding, maar zal de Neu afremmen. De Platat-
activeringsfactor zal vervolgens een sterkere binding tussen LFA-1 en ICAM1
induceren.
6. Wat is NETosis?
Is een vorm van celdood. Ze laten hun nucleair DNA en geassocieerde proteïnen vrij
in het extracellulaire vloeistof, waardoor ze de patho vangen en doden. De
netwerken van de extracellulaire vezels heten neutrofiele extracellulaire traps.
Zijn specifieker en worden gemaakt tijdens de myeloïde stage
7. Bespreek schematisch de belangrijkste oppervlakte R van neutrofielen.
CD11a/CD18
CD11c/CD18
CD11b/CD18
CD35
CD32
8. Macrofagen kunnen als sentinel cellen complexe cytokine mengsels
produceren. Welke zijn de belangrijkste? Bespreek kort hun functie
IL-1; co-stimulator van Th2 cellen en stimuleert de acute fase responsen
IL-6; stimuleert BC differentiatie en stimuleert acute fase responsen
IL-12; co-stimulator van Th1
IL-18; stimuleert IFN-gamma
IL-23; stabiliseert Th17
TNF-a; cytotoxisch, stimuleert TC groei, stimuleert acute fase responsen, triggerd
inflammatie
9. Geef een schematisch overzicht van de grote lijnen van het
complement systeem.
Het moet geactiveerd worden (dmv PAMPS of AL), C3b moet geproduceerd worden
en het terminaal complement complex moet in elkaar worden gezet door een
amplificatie pathway.
Bestaat uit 3 pathways (klassiek, lectine en alternatieve pathway)
Klassiek werkt met C1 en lectine met MASP2, echter het vervolg is gelijk. De
alternatieve pathway werkt met C3 convertase. Alles moet komen tot C3 waarna dit
overgaat in het terminaal complement pathway waardoor er dmv perforines
celdood kan worden geïnduceerd.
Zijn functie is dan ook membranen wijzigen, inflammatie, chemotaxis en
opsonisatie.
Immunologie
Prof. P. Delputte
3de bachelor DGK
,1. De producten van sentinel cellen zijn mediatorM. Bespreek 4 types van
deze mediatoren
a. Cytokines
Speelt een rol in het activeren van bepaalde R. Een aantal worden enkel
uitgescheiden tijdens een IR. Ze worden geactiveerd wanneer bv TLR binden
aan een patho. Cytokines zijn kortlevend en kunnen lokaal of systemisch
inwerken. Ze zijn pleiotroop (=werken in op verschillende cellen) en redunant
(=hebben overlappende functies).
TNF-a wordt eerst geproduceerd, gevolgd door IL-1 en IL-6
b. Chemokines
Trekken verdedigingscellen aan tot de plek van de bacteriële invasie. Ze
worden vooral door macro’s geproduceerd om leukocyten aan te trekken.
c. Vasoactieve M
Zijn bv NOS2 (=vasodilatatie) en COX2 (=inflammatoire lipiden zoals
prostaglandinen en leukotriënen). Ze zorgen voor symptomen van acute
ontsteking (rood, zwelling, warm, functieverlies en pijn).
d. Antimicrobiële M
Ze gaan de membraan van bacteriën/schimmel of virus destabiliseren, soms
vormen ze poriën of ze binden erop.
We hebben antivirale type I interferonen, IFN-A en IFN-B. Dit komt wanneer
er schade is of vreemd DNA of RNA, zoals die van virussen.
2. Wat zijn chemokines? Leg kort uit. Welke 4 types bestaan er en hoe
werkt deze classificatie?
Trekken verdedigingscellen aan tot de plek van de bacteriële invasie. Ze worden
vooral door mestcellen geproduceerd om leukocyten aan te trekken.
Ze worden ingedeeld op basis van de cysteïne residuen en de afstand van de AZ. Ze
besturen veel inflammatoire en immuunresponsen. Ze worden geproduceerd door
SC en worden ingedeeld in 4 families; C, CC, CXC en CX3C.
3. Geef 3 verschillende voorbeelden van antimicrobiële M en bespreek
deze kort.
1. Defensines; zijn antimicrobiële peptiden die voornamelijk werken door de
structuur van bacteriële celmembranen te verstoren.
2. Cathelicidinen; vernietigen snel de lipoproteïne membranen van microben
3. Seprocidines; antimicrobiële serine protease, gevonden in primaire granules en
neutrofielen
4. Wat zijn neutrofielen, bespreek deze kort.
Zijn fagocyterende WBC. Ze komen tot de plaats van bestemming dmv chemotaxis.
Ze zijn kortlevend en gaan vaak dood na fagocytose. Ze bevatten veel granules wat
oa bestaat uit toxische stoffen, dit moet meteen kunnen werken en daarom zit dit al
klaar. 40-60% van de WBC zijn Neu, maar 1-2% zit in de BB. In de lever, milt, longen
en beenmerg zit enorm veel. Ze zijn tamelijk groot, maar kunnen door het endotheel
verplaatsen naar de plaats van infectie.
, 5. Bespreek de migratie van neutrofielen vanuit de bloedsomloop.
Gebruik hiervoor een tekening en duid belangrijke componenten van
dit proces aan.
Start dmv chemotaxis (oa CXCL8 en TNF-a); worden M uitgescheiden waardoor de
Neu kunnen aanvoelen (receptor gradiënt) waar ze heen moeten. We krijgen een
transistente binding tussen L-selectine (van de neu) en P-selectine (van de
endotheelcel), dit is een zwakke binding, maar zal de Neu afremmen. De Platat-
activeringsfactor zal vervolgens een sterkere binding tussen LFA-1 en ICAM1
induceren.
6. Wat is NETosis?
Is een vorm van celdood. Ze laten hun nucleair DNA en geassocieerde proteïnen vrij
in het extracellulaire vloeistof, waardoor ze de patho vangen en doden. De
netwerken van de extracellulaire vezels heten neutrofiele extracellulaire traps.
Zijn specifieker en worden gemaakt tijdens de myeloïde stage
7. Bespreek schematisch de belangrijkste oppervlakte R van neutrofielen.
CD11a/CD18
CD11c/CD18
CD11b/CD18
CD35
CD32
8. Macrofagen kunnen als sentinel cellen complexe cytokine mengsels
produceren. Welke zijn de belangrijkste? Bespreek kort hun functie
IL-1; co-stimulator van Th2 cellen en stimuleert de acute fase responsen
IL-6; stimuleert BC differentiatie en stimuleert acute fase responsen
IL-12; co-stimulator van Th1
IL-18; stimuleert IFN-gamma
IL-23; stabiliseert Th17
TNF-a; cytotoxisch, stimuleert TC groei, stimuleert acute fase responsen, triggerd
inflammatie
9. Geef een schematisch overzicht van de grote lijnen van het
complement systeem.
Het moet geactiveerd worden (dmv PAMPS of AL), C3b moet geproduceerd worden
en het terminaal complement complex moet in elkaar worden gezet door een
amplificatie pathway.
Bestaat uit 3 pathways (klassiek, lectine en alternatieve pathway)
Klassiek werkt met C1 en lectine met MASP2, echter het vervolg is gelijk. De
alternatieve pathway werkt met C3 convertase. Alles moet komen tot C3 waarna dit
overgaat in het terminaal complement pathway waardoor er dmv perforines
celdood kan worden geïnduceerd.
Zijn functie is dan ook membranen wijzigen, inflammatie, chemotaxis en
opsonisatie.