Wat is antibioticaresistentie?
Wanneer een bacterie niet meer doodgaat aan een antibioticum wat
normaal wel het geval was, spreekt men van antibioticaresistentie. Veel
schadelijke bacteriën worden hoe langer hoe meer resistent tegen
verschillende soorten antibiotica. Hierdoor ontstaat het gevaar dat
bepaalde infecties niet meer goed behandeld kunnen worden.
Antibioticagebruik
We weten dat steeds meer bacteriën niet meer goed reageren op
antibiotica. Dit komt doordat er in de wereld veel te vaak antibiotica
gebruikt worden als het eigenlijk niet nodig is. Doordat steeds meer
bacteriën ongevoelig (resistent) worden voor antibiotica, wordt het in de
toekomst steeds moeilijker om ‘simpele’ infecties te bestrijden. Daarom is
het belangrijk dat we in Nederland, maar ook wereldwijd, actie
ondernemen om resistentie tegen te gaan. Zo schrijven artsen alleen
antibiotica voor als dat echt nodig is. Daarnaast is het belangrijk dat je als
patiënt antibiotica op de juiste manier gebruikt en dus het advies van je
arts opvolgt. Ook kan je helpen om de verspreiding van resistente
bacteriën van de ene naar de andere persoon te voorkómen door
handhygiëne maatregelen toe te passen.
BRMO= bijzonder resistent micro- organisme, resistent = ongevoelig voor antibiotica.
MRSA= metilline resistente staphylococcus areus, in minder weerstand: zweren, abcessen en
ontstekingen.
VRE: vancomycine resistent enterokokken, leven in maagdarmstelsel: besmetting, ontlasting,
toiletbril, deurklink.
ESBL= extended- spectrum béta-lactamasa, besmetting via kippenvlees (veel antibiotica kippenvlees).
NORO= virus dat diarree veroorzaakt, slechte hygiëne is hierbij een belangerijke factor. De ontlasting
kan wel 3 weken besmettelijk blijven.
Aërogene/ druppel – isolatie. Bacteriën verspreiden via lucht- niezen en hoesten.
Bekende besmettingsbronnen zijn:
de anus (ontlasting)
de neus (slijm)
de mond (speeksel, sputum)
een wond (bloed, weefselvocht, pus)
een puist (pus)
Beruchte niet-menselijke besmettingsbronnen zijn onder meer:
douches, kranen, afvoerputten (water)
(openbare) toiletten (urine, ontlasting)
voorraadbussen (besmette voorraden)
sprays, tubes, zalfpotten en dergelijke (besmette medicinale stoffen)
Wanneer een bacterie niet meer doodgaat aan een antibioticum wat
normaal wel het geval was, spreekt men van antibioticaresistentie. Veel
schadelijke bacteriën worden hoe langer hoe meer resistent tegen
verschillende soorten antibiotica. Hierdoor ontstaat het gevaar dat
bepaalde infecties niet meer goed behandeld kunnen worden.
Antibioticagebruik
We weten dat steeds meer bacteriën niet meer goed reageren op
antibiotica. Dit komt doordat er in de wereld veel te vaak antibiotica
gebruikt worden als het eigenlijk niet nodig is. Doordat steeds meer
bacteriën ongevoelig (resistent) worden voor antibiotica, wordt het in de
toekomst steeds moeilijker om ‘simpele’ infecties te bestrijden. Daarom is
het belangrijk dat we in Nederland, maar ook wereldwijd, actie
ondernemen om resistentie tegen te gaan. Zo schrijven artsen alleen
antibiotica voor als dat echt nodig is. Daarnaast is het belangrijk dat je als
patiënt antibiotica op de juiste manier gebruikt en dus het advies van je
arts opvolgt. Ook kan je helpen om de verspreiding van resistente
bacteriën van de ene naar de andere persoon te voorkómen door
handhygiëne maatregelen toe te passen.
BRMO= bijzonder resistent micro- organisme, resistent = ongevoelig voor antibiotica.
MRSA= metilline resistente staphylococcus areus, in minder weerstand: zweren, abcessen en
ontstekingen.
VRE: vancomycine resistent enterokokken, leven in maagdarmstelsel: besmetting, ontlasting,
toiletbril, deurklink.
ESBL= extended- spectrum béta-lactamasa, besmetting via kippenvlees (veel antibiotica kippenvlees).
NORO= virus dat diarree veroorzaakt, slechte hygiëne is hierbij een belangerijke factor. De ontlasting
kan wel 3 weken besmettelijk blijven.
Aërogene/ druppel – isolatie. Bacteriën verspreiden via lucht- niezen en hoesten.
Bekende besmettingsbronnen zijn:
de anus (ontlasting)
de neus (slijm)
de mond (speeksel, sputum)
een wond (bloed, weefselvocht, pus)
een puist (pus)
Beruchte niet-menselijke besmettingsbronnen zijn onder meer:
douches, kranen, afvoerputten (water)
(openbare) toiletten (urine, ontlasting)
voorraadbussen (besmette voorraden)
sprays, tubes, zalfpotten en dergelijke (besmette medicinale stoffen)