Vraag 1
Gegeven zijn de itemsores van 8 personen op een test van 3 items.
Item
Persoon 1 2 3
1 1 1 0
2 1 1 1
3 0 0 0
4 0 1 0
5 1 1 1
6 0 1 0
7 0 0 0
8 1 1 1
a. Item 1 is makkelijker dan item 2
b. De variantie van item 2 is groter dan de variantie van item 1
c. Het antwoordpatroon van persoon 4 voldoet aan het Guttman model
Vraag 2
Voor welk type testgebruik is het niet noodzakelijk dat de test genormeerd is?
a. Het bepalen van geschiktheid voor een beroep
b. Het meten van de prestatiemotivatie bij een topsporter
c. Het bepalen van de beste kandidaat uit 20 kandidaten bij een sollicitatieprocedure
Vraag 3
Waarde- en attitudetests zijn een voorbeeld van
a. observatietests
b. zelfbeoordelingen
c. kwalitatieve prestatietests
Vraag 4
Wat voor type test is een observatietest?
a. een test voor gedragswijze
, b. een speciale niveautest
c. een test voor prestatieniveau
Vraag 5
Gegeven is de variantie-covariantiematrix voor 4 items.
1 2 3 4
1 0.50 0.12 0.12 0.12
2 0.12 0.25 0.12 0.12
3 0.12 0.12 0.38 0.12
4 0.12 0.12 0.12 0.13
Er geldt:
a. de variantie van de totaal score X= X1+X2 is groter dan de variantie van de totaalscore
X=X2+X3.
b. de alfacoëfficiënt voor deze vier items is gelijk aan .53
c. de p-waarde van item 1 is p =.50.
Vraag 6
Bij de constructie van items heeft de gesloten vraagvorm een aantal voordelen ten opzichte
van de open vraagvorm. Welk van de onderstaande antwoordalternatieven hoort
daar niet bij?
a. de constructie van items vergt minder tijd
b. de antwoorden kunnen objectiever verwerkt worden
c. de testscore is meestal betrouwbaarder
Vraag 7
Onderstaande tabel geeft de scores van vier respondenten op een test waarvoor geldt
dat S(X) = 15 en rxx’ =.80.
Respondent Score
1 75
2 85
3 100
4 110
Gegeven zijn de itemsores van 8 personen op een test van 3 items.
Item
Persoon 1 2 3
1 1 1 0
2 1 1 1
3 0 0 0
4 0 1 0
5 1 1 1
6 0 1 0
7 0 0 0
8 1 1 1
a. Item 1 is makkelijker dan item 2
b. De variantie van item 2 is groter dan de variantie van item 1
c. Het antwoordpatroon van persoon 4 voldoet aan het Guttman model
Vraag 2
Voor welk type testgebruik is het niet noodzakelijk dat de test genormeerd is?
a. Het bepalen van geschiktheid voor een beroep
b. Het meten van de prestatiemotivatie bij een topsporter
c. Het bepalen van de beste kandidaat uit 20 kandidaten bij een sollicitatieprocedure
Vraag 3
Waarde- en attitudetests zijn een voorbeeld van
a. observatietests
b. zelfbeoordelingen
c. kwalitatieve prestatietests
Vraag 4
Wat voor type test is een observatietest?
a. een test voor gedragswijze
, b. een speciale niveautest
c. een test voor prestatieniveau
Vraag 5
Gegeven is de variantie-covariantiematrix voor 4 items.
1 2 3 4
1 0.50 0.12 0.12 0.12
2 0.12 0.25 0.12 0.12
3 0.12 0.12 0.38 0.12
4 0.12 0.12 0.12 0.13
Er geldt:
a. de variantie van de totaal score X= X1+X2 is groter dan de variantie van de totaalscore
X=X2+X3.
b. de alfacoëfficiënt voor deze vier items is gelijk aan .53
c. de p-waarde van item 1 is p =.50.
Vraag 6
Bij de constructie van items heeft de gesloten vraagvorm een aantal voordelen ten opzichte
van de open vraagvorm. Welk van de onderstaande antwoordalternatieven hoort
daar niet bij?
a. de constructie van items vergt minder tijd
b. de antwoorden kunnen objectiever verwerkt worden
c. de testscore is meestal betrouwbaarder
Vraag 7
Onderstaande tabel geeft de scores van vier respondenten op een test waarvoor geldt
dat S(X) = 15 en rxx’ =.80.
Respondent Score
1 75
2 85
3 100
4 110