1. Volledige dominantie • Monohybride kruising: 3/1 dominant/recessief kenmerk
F = 1G • Dihybride kruising: 9/3/3/1
2. Intermediare overerving • Monohybride kruising: 1/2/1
F = 1G • Genotype kan steeds uit het fenotype worden afgeleid
• Bv. allel rode en witte bloemen => roze
3. Codominantie • Beide kenmerken komen naast elkaar voor
F = 1G • Monohybride kruising: 1/2/1 (ho1/he/ho2)
• Genotype kan steeds uit het fenotype worden afgeleid
4. Pleiotropie • 1 gen(otype) heeft effect op
• Meerdere kenmerken (fenotype
5. Letale allelen • Dominant letaal: bij volledige
• dominantie kan het allel niet worden doorgegeven
• Recessief letaal: 2/1 verhouding bij monohybride kruising
6. X(Z) chromosoom OO • = Heterosomen
7. Y(W) chromosoom OO • Overerving enkel mogelijk van vader op zoon
8. Pseudo-autosomale • Genen die op X EN Y chromosson liggen
overerving • Overerving lijkt autosomaal
• PAR = pseudo-autosomale regio
9. Cytoplasmatische • Chloroplasten en mitochondria hebben eigen genen worden
overerving uitsluitend van moeder op nakomeling doorgegeven
• Veel fenotypische variatie omdat mitochondriën niet
evenredig verdeeld worden
• Heteroplasmie: meer dan 1 type mitochondrion in 1 individu
10. Maternaal effect • = fenotype van de nakomeling wordt bepaald door het
genotype van de moeder vooral tijdens embryonale
ontwikkeling rol
11. Genetische anticipatie • Ziekte wordt per generatie ernstiger en komt vroeger tot uiting
12. Genetische heterogenite • 1 kenmerk met meerdere types overerving
• Oorzaak:
• Allelische heterogeniteit: versch. types mutaties ih zelfde gen
• Locus heterogeniteit: mutaties in verschillende genen