Wat is de invloed van deze financieringsstructuur op de fiscale winst van Pietersen Holding B.V. en
Bloem B.V.?
De lening van Pietsen Holding aan Bloem is
civielrechtelijk een lening. Er is geen sprake van
een van de drie uitzonderingen (geen
bodemloze-putlening, geen
deelnemerschapslening en ook geen
schijnlening), dus het kwalificeert
fiscaalrechtelijk ook als vreemd vermogen.
De rente op de lening is in ieder geval niet
zakelijk: er is geen onafhankelijke derde die de
lening onder dezelfde voorwaarden en
omstandigheden zou verstrekken tegen 0% rente. Er moet worden gekeken voor welke rente een
onafhankelijke derde wel bereid is deze lening te verstrekken. Gezien de bank aangeeft de lening van
Bloem BV niet te willen verlengen, ook niet tegen een hoger rentepercentage, denk er geen
onafhankelijke derde te vinden is die de lening zou willen verstrekken, in ieder geval niet voor een niet-
winstdelende rente. Oftewel: er is sprake van een ODR-lening. Dit betekent dat de lening eind 2019 niet
mag worden afgewaardeerd van 5 miljoen naar 3 miljoen.
Om te bepalen welke rente er in aanmerking moet worden genomen moet de borgstellingsanalogie
worden toegepast. De bank verstrekt de lening aan Pietersen Holding B.V. tegen 6% rente, dat is dan
ook de rente die in aanmerking moet worden genomen. Bloem BV moet een verkapte dividenduitdeling
van 6% in aanmerking nemen. Pieterson Holding BV moet een verkapt dividendontvangst van 6% in
aanmerking nemen.
De looptijd van de lening is overigens van belang voor artikel 10b vpb. Indien de looptijd van de lening
langer is dan 10 jaar en er geen vergoeding is overeengekomen, komen waardemutaties op de lening
niet in aftrek.
Vraag 2
Structuur voor 2015:
Vader houdt 33% van NewCo BV, zoon
en dochter houden allebei 33,5% van
NewCo BV.
Vader houdt alle aandelen van Beheer
BV. Beheer BV houdt alle aandelen van
Finco BV. Finco BV houdt alle aandelen
van Werk BV.