OEFENTENTAMEN INLEIDING
RECHT
VRAAG 1
a. Wetgevende Regering en staten generaal -
Uitvoerende regering – bestuursrechtelijke taken
Controlerende rechtsprekende macht – rechters
b. Wetten in formele zin zijn wetten die geldend zijn voor één specifiek iemand of
geval. Ze worden zijn gemaakt door de regering en de staten generaal (art. 81
Gw). Wetten in formele zin bevatten altijd het woord Wet.
Wetten in materiële zin zijn aan iedere algemeen verbindende voorschriften. Deze
zijn voor alle burgers geldend.
De wet op Studiefinanciering is een wet in formele zin en materële zin, omdat de
wet geldend is voor specifieke gevallen en gemaakt is door de regering en de
staten generaal en ze aan ieder algemeen verbindend zijn.
VRAAG 2
Privaatrecht – vermogensrecht, omdat het in deze zaak ging om een onrechtmatige daad
(art. 6:162 BW) waartoe een schadevergoeding (art. 6:95 jo. 6:95 jo. 6:106 BW) werd
geëist. Het verspreiden van de video (handelen) is een inbreuk op het recht op privacy
van mevrouw Paay en daardoor heeft zij schade geleden in de vorm van ander nadeel.
Als de video niet was verspreid, zou zij geen ander nadeel hebben geleden (art. 6:98 BW)
en dat is aan de schuld van de websites GeenStijl en Dumpert te wijten. Dit gaat om
burgers onderling.
Publiekrecht – strafrecht, omdat het aanklagen van de twee websites gaat volgens het
strafrecht. ze aangifte doen van een strafbaar feit.
VRAAG 3
Om aan een geldende koopovereenkomst te voldoen moet er worden voldaan aan de
volgende voorwaarden:
- Aanbod en aanvaarding 6:217 BW
Op grond van art. 6:217 BW is er sprake van een overeenkomst als er zowel aanbod als
aanvaarding plaatsvindt. Dit betekent dat er ten tijde van de verkoop van het huis een
aanbod stond van het desbetreffende huis door Eduard Engels en dat dit aanbod werd
aanvaard door Berend Bergen. Er is binnen dit aanbod geen sprake van tijdsverloop,
verwerping of herroeping op grond van de artikelen 6:221 en 6:219 BW.
- Handelsbekwaamheid persoon 3:32 BW
Beide partijen in deze overeenkomst zijn handels bekwaam, want uit de casus blijkt niet
dat het gaat om minderjarigen (art. 1:234 BW) of onder curatele gestelde (art. 1:378 BW)
- Totstandkoming 3:40 BW
De totstandkoming is echter wel specifieker te benaderen in deze casus. De wil en de
verklaring moeten overeenkomen op grond van art. 3:33 BW om te kunnen spreken van
een geldige rechtshandeling. Uit de casus blijkt achteraf dat de verklaring van Eduard,
het te koop aanbieden van zijn huis niet overeen kwam met zijn wil. Doordat Eduard de
verklaring onder een tijdelijk verstoorde geestesvermogen heeft gedaan wordt er geacht
dat zijn wil heeft ontbroken ten tijde van de verkoop. Dit acht te blijken als de
rechtshandeling nadelig was voor de geestesgestoorde, in dit geval Eduard (3:34 BW). Dit
is echter niet het geval. Op grond van art. 3:35 BW mocht Berend vertrouwen op het feit
dat Eduard zijn wil overeenkwam met zijn verklaring. Ten tijde van de verkoop is er
namelijk niet gebleken dat Eduard last had van waanideeën en het aanbod van het huis
heeft geleidt tot een marktconforme prijs bij de verkoop. Dit was dus niet nadelig voor
Eduard.
RECHT
VRAAG 1
a. Wetgevende Regering en staten generaal -
Uitvoerende regering – bestuursrechtelijke taken
Controlerende rechtsprekende macht – rechters
b. Wetten in formele zin zijn wetten die geldend zijn voor één specifiek iemand of
geval. Ze worden zijn gemaakt door de regering en de staten generaal (art. 81
Gw). Wetten in formele zin bevatten altijd het woord Wet.
Wetten in materiële zin zijn aan iedere algemeen verbindende voorschriften. Deze
zijn voor alle burgers geldend.
De wet op Studiefinanciering is een wet in formele zin en materële zin, omdat de
wet geldend is voor specifieke gevallen en gemaakt is door de regering en de
staten generaal en ze aan ieder algemeen verbindend zijn.
VRAAG 2
Privaatrecht – vermogensrecht, omdat het in deze zaak ging om een onrechtmatige daad
(art. 6:162 BW) waartoe een schadevergoeding (art. 6:95 jo. 6:95 jo. 6:106 BW) werd
geëist. Het verspreiden van de video (handelen) is een inbreuk op het recht op privacy
van mevrouw Paay en daardoor heeft zij schade geleden in de vorm van ander nadeel.
Als de video niet was verspreid, zou zij geen ander nadeel hebben geleden (art. 6:98 BW)
en dat is aan de schuld van de websites GeenStijl en Dumpert te wijten. Dit gaat om
burgers onderling.
Publiekrecht – strafrecht, omdat het aanklagen van de twee websites gaat volgens het
strafrecht. ze aangifte doen van een strafbaar feit.
VRAAG 3
Om aan een geldende koopovereenkomst te voldoen moet er worden voldaan aan de
volgende voorwaarden:
- Aanbod en aanvaarding 6:217 BW
Op grond van art. 6:217 BW is er sprake van een overeenkomst als er zowel aanbod als
aanvaarding plaatsvindt. Dit betekent dat er ten tijde van de verkoop van het huis een
aanbod stond van het desbetreffende huis door Eduard Engels en dat dit aanbod werd
aanvaard door Berend Bergen. Er is binnen dit aanbod geen sprake van tijdsverloop,
verwerping of herroeping op grond van de artikelen 6:221 en 6:219 BW.
- Handelsbekwaamheid persoon 3:32 BW
Beide partijen in deze overeenkomst zijn handels bekwaam, want uit de casus blijkt niet
dat het gaat om minderjarigen (art. 1:234 BW) of onder curatele gestelde (art. 1:378 BW)
- Totstandkoming 3:40 BW
De totstandkoming is echter wel specifieker te benaderen in deze casus. De wil en de
verklaring moeten overeenkomen op grond van art. 3:33 BW om te kunnen spreken van
een geldige rechtshandeling. Uit de casus blijkt achteraf dat de verklaring van Eduard,
het te koop aanbieden van zijn huis niet overeen kwam met zijn wil. Doordat Eduard de
verklaring onder een tijdelijk verstoorde geestesvermogen heeft gedaan wordt er geacht
dat zijn wil heeft ontbroken ten tijde van de verkoop. Dit acht te blijken als de
rechtshandeling nadelig was voor de geestesgestoorde, in dit geval Eduard (3:34 BW). Dit
is echter niet het geval. Op grond van art. 3:35 BW mocht Berend vertrouwen op het feit
dat Eduard zijn wil overeenkwam met zijn verklaring. Ten tijde van de verkoop is er
namelijk niet gebleken dat Eduard last had van waanideeën en het aanbod van het huis
heeft geleidt tot een marktconforme prijs bij de verkoop. Dit was dus niet nadelig voor
Eduard.