Vignet A Wanneer mag je onderhandelingen afbreken in de precontractuele fase?
Stap 1: vroeger was er sprake van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm.
Stap 2: sinds Baris/Riezenkamp wordt de precontractuele fase bepaald door de eisen van
redelijkheid en billijkheid.
Door met elkaar in onderhandeling te treden, komen partijen tot elkaar te staan in
een bijzondere, door de goede trouw (= redelijkheid en billijkheid, art. 6:2) beheerste
rechtsverhouding, hetgeen meebrengt dat zij hun gedrag mede moeten laten
bepalen door de gerechtvaardigde verwachtingen van de wederpartij.
Stap 3: Plas/Valburg de eisen van redelijkheid en billijkheid zijn afhankelijk van het
stadium waarin de onderhandelingen op het moment van afbreken verkeren.
1. Eerste stadium: afbreken van de onderhandelingen is geoorloofd
contractsvrijheid!
2. Tweede stadium: de onderhandelingen mogen worden afgebroken, maar de
gemaakte kosten van de wederpartij moeten door de afbrekende partij worden
vergoed negatief contractsbelang.
3. Derde stadium: afbreken van de onderhandelingen is in strijd met redelijkheid en
billijkheid. Wederpartij kan vorderen dat de onderhandelingen orden voortgezet of
schadevergoeding vorderen positief contractsbelang (incl. gederfde winst).
a. Zeer verregaande inbreuk op het beginsel van contractsvrijheid.
b. Dit stadium is bereikt als ‘de wederpartij erop mocht vertrouwen dat enigerlei
contract in ieder geval uit de onderhandelingen zou resulteren’.
Stap 4: VSH/Shell men mag niet de eis stellen dat alle details van de te sluiten
overeenkomst op het moment van afbreken van de onderhandelingen al duidelijk waren,
maar de ruwe contouren van de overeenkomst moeten wel zichtbaar zijn geweest.
Men moet in de gegeven omstandigheden de gerechtvaardigde verwachting
hebben gehad dat de onderhandelingen tot een overeenstemming zouden leiden
totstandkomingsvertrouwen.
Stap 5: De Ruiterij/MBO zegt dat bij het totstandkomingsvertrouwen het van belang is
dat de afbrekende partij aan het ontstaan van het vertrouwen moet hebben bijgedragen.
Hierbij zijn ook de gerechtvaardigde belangen van de afbrekende partij en
onvoorziene omstandigheden belangrijk.
het is ook mogelijk dat men na een periode, waarin het afbreken van
onderhandelingen partijen niet meer vrijstond, terugkeert naar het 1e of 2e
onderhandelingsstadium.
Stap 6: CBB/JPO contractsvrijheid staat voorop, dit brengt met zich mee dat het afbreken
van de onderhandelingen geoorloofd is, tenzij dit onaanvaardbaar is door het
gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij.
, Hierbij moet rekening gehouden worden met hetgeen in De Ruiterij/MBO is
gezegd:
1. De mate waarin en de wijze waarop de afbrekende partij heeft bijgedragen
aan het ontstaan van dat vertrouwen.
2. De gerechtvaardigde belangen van de afbrekende partij.
3. Onvoorziene omstandigheden.
Stap 7: mogelijke sancties op precontractueel ‘tekortschieten’.
Afbreken onderhandelingen ondanks gerechtvaardigd vertrouwen:
o Onaanvaardbaar (JBB/CPO).
o Sanctie:
Dooronderhandelen (art. 3:296); of
Schadevergoeding.
Schending precontractuele inlichtingenplicht:
o Dwaling (art. 6:228).
o Sanctie:
Vernietiging.
Schending waarschuwingsplicht (redelijkheid en billijkheid):
o Onrechtmatig.
o Sanctie:
Schadevergoeding, met aftrek indien eigen schuld (art. 6:101
effectenlease-arresten).
Stap 8: Effectenlease-arresten: samenvatting van het oordeel van de Hoge Raad.
De consumenten in de Levob-zaak en de Dexia-zaak betoogden dat hen een beroep op
dwaling toekwam omdat de bank hen onjuist of niet volledig zou hebben geïnformeerd.
Vast staat dat de banken aan de consumenten verschillende documenten met informatie
over de producten, waaronder folders, hebben toegezonden. Beide hoven wezen het beroep
op dwaling af, welk oordeel in cassatie stand hield.
Volgens de Hoge Raad mocht van de consumenten redelijke inspanningen worden verwacht
om de aan hen toegezonden documenten te begrijpen. Ook hadden zij de (wervende)
folders met enige reserve moeten lezen en zich naast de folders ook op de andere
aangeboden documenten moeten baseren.
De banken hadden voldoende duidelijke inlichtingen gegeven over de essentiële
eigenschappen van de overeenkomst (dat sprake was van een lening waarover rente betaald
diende te worden, dat de leensom voor risico van de belegger zou worden belegd in effecten
en dat de lening ongeacht de waarde van de effecten moest worden terugbetaald) om
dwaling over die eigenschappen te voorkomen. De banken hadden hiermee voldaan aan hun
mededelingsplicht op grond van art. 6:228 lid 2 BW, waarmee een beroep op dwaling
strandde.
Ten aanzien van de zorgplicht oordeelt de Hoge Raad als volgt. Uitgangspunt is dat op een
bank, als professionele dienstverlener op het terrein van beleggingen in effecten en
aanverwante financiële diensten, een bijzondere, uit redelijkheid en billijkheid
voortvloeiende, zorgplicht rust jegens degene waarmee zij de overeenkomst aangaan. De
omvang van deze zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij
onder andere van belang zijn de mate van deskundigheid en relevante ervaringen van de
betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het beleggingsproduct en de daaraan