Hoofdstuk 1
Onzelfstandige beroepsbevolking = mensen die een betaalde baan hebben.
Private sector = werknemers.
Publieke sector = ambtenaren.
Semipublieke sector = organisaties en instellingen binnen de private sector, die financieel afhankelijk
zijn van de overheid.
Zelfstandige beroepsbevolking = Mensen met een eigen bedrijf. Geen opdrachtgever.
Zelfstandige zonder personeel = ZZP’er
1. Dwingend recht: recht waarvan niet of niet ten nadele van de werknemer mag worden
afgeweken. (7:655 BW)
2. Driekwartdwingend: recht, waarvan uitsluitend kan worden afgeweken bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een bevoegd bestuursorgaan. (7:670
BW)
3. Semidwingend recht: is dat recht, waarvan alleen kan worden afgeweken bij schriftelijke
aangegane overeenkomst. (7:628, 672, 623 BW)
4. Aanvullend recht: recht, waarvan altijd mag worden afgeweken. (7:622 BW)
Arbeidszaken worden altijd door de kantonrechter behandeld.
Bestuurder van een naamloze of besloten venootschap worden behandeld door gewone sector civiel,
mits het een vordering betreft van meer dan 25.000 euro.
Hoger beroep kan bij het gerechtshof.
De rechter van kort geding wordt voorzieningenrechter genoemd.
Hoofdstuk 2
Detacheren = de werkgever leent de werknemer uit aan een andere werkgever.
Minimale garantie (art. 7:628a BW) = de werknemer per oproep heeft altijd recht op minimaal drie
uren loon:
- Wanneer er een arbeidsovereenkomst is gesloten van minder dan 15 uren per week en de
tijdstippen waarop de werknemer moet werken, niet zijn vastgelegd.
- Wanneer er geen afspraken tussen partijen zijn gemaakt over de omvang van de arbeid, dus
over het aantal te werken uren.
, Hoofdstuk 3
De werknemer is verplicht om:
1. De arbeid persoonlijk te verrichten;
2. Redelijke instructies van de werkgeverac op te volgen;
3. Zich in het algemeen als een goed werknemer te gedragen, wat onder andere inhoudt: de
arbeid naar zijn beste vermogen te verrichten.
In een concurrentiebeding staat meestal:
- Een bepaald grondgebied, waarbinnen de werknemer niet werkzaam mag zijn;
- Een daaraan verbonden termijn;
- Niet de concurrenten te noemen waar de werknemer niet aan de slag mag, maar door aan te
geven dat de werknemer na afloop van de arbeidsovereenkomst niet mag werken in
ondernemingen waarin producten worden gefabriceerd die gelijk of gelijksoortig zijn aan die
welke de werkgever maakt.
Hoofdstuk 4
Een werkgever kan een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd beëindigen door:
In artikel 7:669 lid 3 BW wordt een limitatieve opsomming gegeven van wat onder een redelijke
grond wordt verstaan.
- Is sub a of b van toepassing, dan moet de werkgever naar het UWV.
Sub a: bedrijfseconomisch ontslag;
Het vervallen van arbeidsplaatsen ten gevolge van de beëindiging van de
werkzaamheden van de ondermeng; De onderneming houdt op te bestaan.
Het vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfeconomische omstandigheden.
Sub b: langdurige arbeidsongeschiktheid wegens ziekte.
Werknemer heeft 2 jaar lang niet gewerkt en is binnen 26 weken niet beter.
- Betreft het één van de gronden genoemd in sub c t/m hm dan zal de werkgever zich tot de
kantonrechter moeten wenden.
sub c: regematige uitval wegens ziekte of gebrek met onaanvaardbare fevolgen voor de
bedrijfsuitvoering;
sub d: disfunctioneren van de werknemer;
sub e: verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer;
sub f: het weigeren van de arbeid te verrichten wegens een ernstig gewetensbezwaar;
sub g: een verstoorde arbeidsverhouding;
sub h: andere gronden die zodanig zijn dat voortduring van de arbeidsovereenkomst niet kan
worden gevergd.