PROBLEEM 5
Traits: persoonlijkheid wordt uitgedrukt in karaktertrekken. Het zijn vaste
patronen waarop iemand zich gedraagt, voelt en denkt.
Lexical approach: er zijn evenveel belangrijke individuele verschillen als dat er
woorden voor opgenomen zijn.
-Synoniem frequentie: hoe meer synoniemen, hoe belangrijker.
-Cross cultural universality: hoe meer het woord in verschillende
culturen voorkomt, hoe belangrijker.
Statistical approach: statistiek/factoranalyse om de belangrijkste traits van
elkaar te onderscheiden.
Theoretical approach: theorie gevormd door belangrijke variabelen.
Dimensional approach: dat mensen continu verschillende eigenschappen
hebben.
Quantitave approach: verschillen tussen mensen(hoeveel verschillende
eigenschappen).
Nomothetic: de geloof dat iedereen dezelfde karaktereigenschappen heeft die in
verschillende maten tot uiting komt.
Idiographic: iedereen is uniek.
Lexical approach: er zijn evenveel belangrijke individuen als woorden. Karakter
zit in taal.
Synoniem frequentie: hoe meer synoniemen hoe belangrijker.
Cross cultural universality: hoe meer het woord in verschillende culturen
voorkomt hoe belangrijker.
Hippocrates & Galenus: men kan worden geplaatst in 4 groepen
1. Chloric (prikkelbaar) gele gal
2. Melancholic (depressief) zwarte gal
3. Sanguine (optimistisch) overmatig bloed
4. Phlegmatic (kalm) overmatig slijm
overmaat aan een van deze lichamelijke vloeistoffen.
Sheldon:
deelde mensen in verschillende groepen qua karakter aan de hand van
lichaamskenmerken.
Endomorph: mensen die overgewicht waren kalm, houdt van eten, sociaal
Mesomoprh: mensen die atletisch gebouwd zijn energiek, assertief, dapper
Ectomoprh: mensen die dun en lang zijn teruggetrokken, creatief, introvert,
Traits: persoonlijkheid wordt uitgedrukt in karaktertrekken. Het zijn vaste
patronen waarop iemand zich gedraagt, voelt en denkt.
Lexical approach: er zijn evenveel belangrijke individuele verschillen als dat er
woorden voor opgenomen zijn.
-Synoniem frequentie: hoe meer synoniemen, hoe belangrijker.
-Cross cultural universality: hoe meer het woord in verschillende
culturen voorkomt, hoe belangrijker.
Statistical approach: statistiek/factoranalyse om de belangrijkste traits van
elkaar te onderscheiden.
Theoretical approach: theorie gevormd door belangrijke variabelen.
Dimensional approach: dat mensen continu verschillende eigenschappen
hebben.
Quantitave approach: verschillen tussen mensen(hoeveel verschillende
eigenschappen).
Nomothetic: de geloof dat iedereen dezelfde karaktereigenschappen heeft die in
verschillende maten tot uiting komt.
Idiographic: iedereen is uniek.
Lexical approach: er zijn evenveel belangrijke individuen als woorden. Karakter
zit in taal.
Synoniem frequentie: hoe meer synoniemen hoe belangrijker.
Cross cultural universality: hoe meer het woord in verschillende culturen
voorkomt hoe belangrijker.
Hippocrates & Galenus: men kan worden geplaatst in 4 groepen
1. Chloric (prikkelbaar) gele gal
2. Melancholic (depressief) zwarte gal
3. Sanguine (optimistisch) overmatig bloed
4. Phlegmatic (kalm) overmatig slijm
overmaat aan een van deze lichamelijke vloeistoffen.
Sheldon:
deelde mensen in verschillende groepen qua karakter aan de hand van
lichaamskenmerken.
Endomorph: mensen die overgewicht waren kalm, houdt van eten, sociaal
Mesomoprh: mensen die atletisch gebouwd zijn energiek, assertief, dapper
Ectomoprh: mensen die dun en lang zijn teruggetrokken, creatief, introvert,