1. De student kan de rol van voldoende slaap verhelderen bij het leren (VER)
Het is waarschijnlijk slechts ten dele waar dat je vooral leert
tijdens oefenen of trainen. Er zijn aanwijzingen dat tijdens Tijdens de REM-slaap wordt
de droomslaap en tijdens de diepe slaap (REM) een kennis opgeslagen in het
plastische reorganisatie in de hersenen plaatsvindt. Oftewel lange termijn geheugen.
het geoefende krijgt als het ware zijn neurale plekje in de
hersenen.
Door testen is het vermoeden gekweekt dat tijdens de
droomslaap de hersenactiviteit overeen kwam met de
activatiepatronen. Daarom zou de droomslaap een
belangrijke rol spelen bij de consolidering van de
informatieopslag en bij de fijnere afwerking en
foutencorrectie van overdag geoefende vaardigheden.
De cruciale plastische veranderingen vinden dus niet tijdens
maar tussen en na de trainingen of therapieën plaats.
Hersenprocessen zijn essentieel voor motoriek. In de
hersenen wordt een link gelegd tussen motoriek, sensoriek, emotie en cognitie. Vooruitgang tijdens
motorisch leren is gebaseerd op plastische veranderingen die voor een groot deel plaatsvinden na de
oefening of training, onder andere tijdens slaap en dromen.
Er treed een sensitisatie op van de synapsen, waardoor de synapsen gevoeliger worden en dus het
motorische patroon beter herkend wordt en uitgevoerd kan worden.
2. De student kan een beschrijving geven van het Hiërarchisch model (REP)
Het model legt een verband tussen de manier waarop het zenuwstelsel is georganiseerd en de
manier waarop het zenuwstelsel zich heeft ontwikkeld. Je kunt op twee manieren naar deze
ontwikkeling kijken:
-Vanuit de ontwikkeling van de soort.
-Vanuit de embryonale ontwikkeling van het individu.
Het hiërarchisch model onderscheidt in het zenuwstelsel drie niveaus: het archi, paleo, en
neoniveau. De indeling in drie niveaus is willekeurig, maar praktisch goed bruikbaar:
-Archiniveau:
Dit niveau is het oudst. Het bestaat uit neuronen in het ruggenmerg en neuronengroepen in de
hersenstam. Het zijn de onderste delen van het centrale zenuwstelsel. Ze regelen eenvoudige,
automatische processen, zoals reflexen. Voorbeeld is de flexie of terugtrekreflex. Het zorgt voor
overleven.
-Paleoniveau:
Dis niveau is jonger als het archiniveau. Het bestaat uit de neuronengebieden onder in de hersenen,
zoals de hypothalamus en de basale kernen. De functies zijn gecompliceerder dan die van het
archiniveau. Het paleoniveau regelt bijvoorbeeld sterk geautomatiseerde bewegingspatronen (lopen,
zwemmen) en het uiten van emoties (mimiek, lachen, huilen).
-Neoniveau:
Dit niveau is in de evolutie het laatste ontstaan. Het omvat onder andere het grootste deel van de
hersenschors. Bij de mens is dit niveau sterk uitgegroeid. De grote hersenen puilen uit rondom de
Het is waarschijnlijk slechts ten dele waar dat je vooral leert
tijdens oefenen of trainen. Er zijn aanwijzingen dat tijdens Tijdens de REM-slaap wordt
de droomslaap en tijdens de diepe slaap (REM) een kennis opgeslagen in het
plastische reorganisatie in de hersenen plaatsvindt. Oftewel lange termijn geheugen.
het geoefende krijgt als het ware zijn neurale plekje in de
hersenen.
Door testen is het vermoeden gekweekt dat tijdens de
droomslaap de hersenactiviteit overeen kwam met de
activatiepatronen. Daarom zou de droomslaap een
belangrijke rol spelen bij de consolidering van de
informatieopslag en bij de fijnere afwerking en
foutencorrectie van overdag geoefende vaardigheden.
De cruciale plastische veranderingen vinden dus niet tijdens
maar tussen en na de trainingen of therapieën plaats.
Hersenprocessen zijn essentieel voor motoriek. In de
hersenen wordt een link gelegd tussen motoriek, sensoriek, emotie en cognitie. Vooruitgang tijdens
motorisch leren is gebaseerd op plastische veranderingen die voor een groot deel plaatsvinden na de
oefening of training, onder andere tijdens slaap en dromen.
Er treed een sensitisatie op van de synapsen, waardoor de synapsen gevoeliger worden en dus het
motorische patroon beter herkend wordt en uitgevoerd kan worden.
2. De student kan een beschrijving geven van het Hiërarchisch model (REP)
Het model legt een verband tussen de manier waarop het zenuwstelsel is georganiseerd en de
manier waarop het zenuwstelsel zich heeft ontwikkeld. Je kunt op twee manieren naar deze
ontwikkeling kijken:
-Vanuit de ontwikkeling van de soort.
-Vanuit de embryonale ontwikkeling van het individu.
Het hiërarchisch model onderscheidt in het zenuwstelsel drie niveaus: het archi, paleo, en
neoniveau. De indeling in drie niveaus is willekeurig, maar praktisch goed bruikbaar:
-Archiniveau:
Dit niveau is het oudst. Het bestaat uit neuronen in het ruggenmerg en neuronengroepen in de
hersenstam. Het zijn de onderste delen van het centrale zenuwstelsel. Ze regelen eenvoudige,
automatische processen, zoals reflexen. Voorbeeld is de flexie of terugtrekreflex. Het zorgt voor
overleven.
-Paleoniveau:
Dis niveau is jonger als het archiniveau. Het bestaat uit de neuronengebieden onder in de hersenen,
zoals de hypothalamus en de basale kernen. De functies zijn gecompliceerder dan die van het
archiniveau. Het paleoniveau regelt bijvoorbeeld sterk geautomatiseerde bewegingspatronen (lopen,
zwemmen) en het uiten van emoties (mimiek, lachen, huilen).
-Neoniveau:
Dit niveau is in de evolutie het laatste ontstaan. Het omvat onder andere het grootste deel van de
hersenschors. Bij de mens is dit niveau sterk uitgegroeid. De grote hersenen puilen uit rondom de