Samenvatting Gleitman H9 denken
Mentale representaties
Inhoud in de geest die voor komen in gedachten die staan voor een soort object, gebeurtenis of staat
van zaken – hier kunnen we aan denken zonder dat deze dingen aanwezig zijn. Het kan ook gaan om
dingen die in de werkelijkheid niet eens bestaan, je fantasieën.
Onderscheiden van afbeeldingen en symbolen
- Analogische representatie: bevatten een paar actuele karakteristieken van wat ze representeren.
Meestal in de vorm van mentale afbeeldingen. Het is een weergave van informatie in een vorm die
voor een gebruiker waarneembaar is en die weinig afspraken nodig heeft. Bijvoorbeeld: afbeelding
van een kat.
- Symbolische representatie: een mentale representatie die staat voor een bepaalde inhoud zonder
enige karakteristieken te delen van het ding. Hiervoor zijn de meeste afspraken nodig. Zonder deze
afspraken is de informatie niet te begrijpen. Bijvoorbeeld het woord ‘kat’.
Mentale afbeeldingen
- Mentale afbeeldingen: mentale representaties die lijken op de objecten die ze representeren door
de perceptuele eigenschappen van het weergegeven ding direct weer te geven.
Waarom beschrijven mensen hun afbeeldingen als mentale foto’s? Een groot deel van het antwoord
ligt in ruimtelijke inrichting. Mentale beelden geven nauwkeurig de ruimtelijke relaties binnen een
scène weer. Visuele beelden lijken op foto’s, maar zijn dat natuurlijk niet echt. Bijvoorbeeld: de foto
van de eend/konijn is makkelijk geherinterpreteerd; het beeld daarvan niet.
Proposities
- Propositie: een verklaring betreffende een onderwerp en een bewering over dat onderwerp.
Bijvoorbeeld: ‘roken is slecht voor je gezondheid’ of ‘San Diego is in California’.
- Knooppunt (node): een netwerk gebaseerd model van mentale representaties, een ‘ontmoetplek’
voor verschillende connecties die worden geassocieerd met een bepaald onderwerp. Lijken als het
ware op knopen in een visnet.
- Associatieve verbanden: individuele knooppunten worden hier aan elkaar verbonden.
- Spreidende activatie: het proces waardoor activiteit in een knooppunt in een netwerk naar buiten
vloeit naar andere knooppunten d.m.v. associatieve verbanden. De verschillende knooppunten
worden geactiveerd wanneer een persoon denkt aan een propositie. Deze activatie wordt verspreidt
naar de buurknooppunten, door de associatieve verbanden. Maar, deze verspreiding van activatie zal
zwakker zijn tussen knooppunten die maar een beetje met elkaar verbonden zijn. Met spreidende
activatie wordt het ‘bericht’ steeds ‘zwakker’ naarmate de boodschap vordert.
Oordeel: het trekken van conclusies uit ervaring
- Gericht denken: op een bepaald doel gericht denken.
- Oordelen: het proces van het extrapoleren van bewijs om zo een conclusie te trekken.
- Heuristieken: een strategie om snel een oordeel te vellen, ten koste van af en toe plaatsvindende
fouten.
De beschikbaarheid heuristiek
In bijna alle gevallen, willen we onze conclusies niet trekken uit slechts een observatie, maar uit een
patroon van meerdere observaties. We willen een samenvatting van meerdere ervaringen, zodat je
conclusies trekt als er een consistent patroon is in het bewijs.
Dit vereist een vergelijking van frequentieschattingen (hoe vaak je een bepaalde gebeurtenis of
onderwerp hebt meegemaakt). Probleem: mensen houden geen objectieve getallen bij van hoe vaak
ze iets hebben meegemaakt. Daarom proberen ze te denken aan specifieke gebeurtenissen die
relevant zijn voor hun oordeel.
, - Beschikbaarheid heuristiek: een strategie om te oordelen over hoe vaak iets gebeurt – of hoe
gewoonlijk dat is – gebaseerd op hoe makkelijk voorbeelden daar van in gedachten komen.
Bijvoorbeeld: komt letter R meer voor als 1e of 3e letter? makkelijker om woorden met
beginletter te bedenken, personen zeggen dat R vaker op 1e positie ligt, terwijl het goede antwoord
3 is.
Representatieve heuristiek
Soms hangt ons oordeel af van categoriseren.
- Representatieve heuristiek: een strategie om te oordelen of een individueel, object, of gebeurtenis
thuis hoort in een bepaalde categorie gebaseerd op hoe typisch van de categorie iets lijkt te zijn. Je
gebruikt een gelijkenis als indicator waartoe iets behoort. Bijvoorbeeld: stereotypering.
Duaal proces theorieën
Soms baseren we ons oordeel op heuristieken en soms doen we dit niet.
- Duaal proces theorie: het voorstel dat een oordeel twee typen van denken bevat: een snelle,
efficiënte, maar soms defecte set van strategieën (systeem 1) en een langzamere, meer moeizamere
manier, maar minder riskantere set van strategieën (systeem 2).
De heuristieken zijn een type van denken (systeem 1): de snelle en efficiënte oordelen in een wijde
reeks van omstandigheden.
Bij het andere systeem zijn verschillende termen verbonden in vergelijking met systeem 1: intuïtie
vs. denken, associatie gedreven gedachten vs. regel gedreven gedachten, een perifeer route naar
conclusies vs. een centrale route, intuïtie vs. beraadslaging.
Wat zorgt voor de keuze tussen deze twee typen van denken?
- Men is meer geneigd tot de snelle strategie wanneer ze moe zijn of onder druk staan van tijd, of
wanneer er wordt gevraagd om na te denken over mogelijkheden.
- Men is meer geneigd om het langzamere systeem te gebruiken wanneer het probleem bepaalde
triggers bevat, of wanneer ze moeten denken over frequenties.
- Het gebruik van systeem 2 hangt ook af van het type bewijs waar over na wordt gedacht.
- Sommige vormen van opleiding maken het denken in systeem 2 meer waarschijnlijk.
Redenering: implicaties tekenen vanuit onze overtuigingen
De processen van redenering: beginnen met bepaalde overtuigingen en proberen vanuit daar
implicaties te tekenen: ‘Als ik geloof in X, welke andere vorderingen volgen hier uit?’. Dit proces
wordt gevolgtrekking genoemd; wanneer iemand nieuwe bewering wil ontlenen uit een al bestaande
bewering.
- Redeneren: het proces van het begrijpen van de implicaties van bepaalde overtuigingen.
Confirmatie bias
- Confirmatie bias: is de neiging om bewijs dat overeenkomt met jouw overtuigingen meer serieus te
nemen dan bewijs dat inconsistent is met jouw overtuigingen. Bijvoorbeeld: veel compulsieve
gamers geloven dat zij een strategie hebben waarmee je wint, wat hen rijkdom zal opleveren. Hun
lege portemonnees zijn bewijs tegen dit geloof, maar de gamers zien dat niet. Hun focus is op hun
winsten en zien hun verliezen als ‘bijna winsten’ of een geval van kans.
Gebrekkige (faulty) logica
- Syllogismen: een logicaprobleem die twee beweringen bevat en een conclusie; het syllogisme is
geldig wanneer de conclusie logisch is met de twee beweringen. Bijvoorbeeld: alle kunst is
gemaakt van hout en alle houten dingen kunnen worden veranderd in klokken, dus: alle kunst kan
veranderd worden in klokken.
Mentale representaties
Inhoud in de geest die voor komen in gedachten die staan voor een soort object, gebeurtenis of staat
van zaken – hier kunnen we aan denken zonder dat deze dingen aanwezig zijn. Het kan ook gaan om
dingen die in de werkelijkheid niet eens bestaan, je fantasieën.
Onderscheiden van afbeeldingen en symbolen
- Analogische representatie: bevatten een paar actuele karakteristieken van wat ze representeren.
Meestal in de vorm van mentale afbeeldingen. Het is een weergave van informatie in een vorm die
voor een gebruiker waarneembaar is en die weinig afspraken nodig heeft. Bijvoorbeeld: afbeelding
van een kat.
- Symbolische representatie: een mentale representatie die staat voor een bepaalde inhoud zonder
enige karakteristieken te delen van het ding. Hiervoor zijn de meeste afspraken nodig. Zonder deze
afspraken is de informatie niet te begrijpen. Bijvoorbeeld het woord ‘kat’.
Mentale afbeeldingen
- Mentale afbeeldingen: mentale representaties die lijken op de objecten die ze representeren door
de perceptuele eigenschappen van het weergegeven ding direct weer te geven.
Waarom beschrijven mensen hun afbeeldingen als mentale foto’s? Een groot deel van het antwoord
ligt in ruimtelijke inrichting. Mentale beelden geven nauwkeurig de ruimtelijke relaties binnen een
scène weer. Visuele beelden lijken op foto’s, maar zijn dat natuurlijk niet echt. Bijvoorbeeld: de foto
van de eend/konijn is makkelijk geherinterpreteerd; het beeld daarvan niet.
Proposities
- Propositie: een verklaring betreffende een onderwerp en een bewering over dat onderwerp.
Bijvoorbeeld: ‘roken is slecht voor je gezondheid’ of ‘San Diego is in California’.
- Knooppunt (node): een netwerk gebaseerd model van mentale representaties, een ‘ontmoetplek’
voor verschillende connecties die worden geassocieerd met een bepaald onderwerp. Lijken als het
ware op knopen in een visnet.
- Associatieve verbanden: individuele knooppunten worden hier aan elkaar verbonden.
- Spreidende activatie: het proces waardoor activiteit in een knooppunt in een netwerk naar buiten
vloeit naar andere knooppunten d.m.v. associatieve verbanden. De verschillende knooppunten
worden geactiveerd wanneer een persoon denkt aan een propositie. Deze activatie wordt verspreidt
naar de buurknooppunten, door de associatieve verbanden. Maar, deze verspreiding van activatie zal
zwakker zijn tussen knooppunten die maar een beetje met elkaar verbonden zijn. Met spreidende
activatie wordt het ‘bericht’ steeds ‘zwakker’ naarmate de boodschap vordert.
Oordeel: het trekken van conclusies uit ervaring
- Gericht denken: op een bepaald doel gericht denken.
- Oordelen: het proces van het extrapoleren van bewijs om zo een conclusie te trekken.
- Heuristieken: een strategie om snel een oordeel te vellen, ten koste van af en toe plaatsvindende
fouten.
De beschikbaarheid heuristiek
In bijna alle gevallen, willen we onze conclusies niet trekken uit slechts een observatie, maar uit een
patroon van meerdere observaties. We willen een samenvatting van meerdere ervaringen, zodat je
conclusies trekt als er een consistent patroon is in het bewijs.
Dit vereist een vergelijking van frequentieschattingen (hoe vaak je een bepaalde gebeurtenis of
onderwerp hebt meegemaakt). Probleem: mensen houden geen objectieve getallen bij van hoe vaak
ze iets hebben meegemaakt. Daarom proberen ze te denken aan specifieke gebeurtenissen die
relevant zijn voor hun oordeel.
, - Beschikbaarheid heuristiek: een strategie om te oordelen over hoe vaak iets gebeurt – of hoe
gewoonlijk dat is – gebaseerd op hoe makkelijk voorbeelden daar van in gedachten komen.
Bijvoorbeeld: komt letter R meer voor als 1e of 3e letter? makkelijker om woorden met
beginletter te bedenken, personen zeggen dat R vaker op 1e positie ligt, terwijl het goede antwoord
3 is.
Representatieve heuristiek
Soms hangt ons oordeel af van categoriseren.
- Representatieve heuristiek: een strategie om te oordelen of een individueel, object, of gebeurtenis
thuis hoort in een bepaalde categorie gebaseerd op hoe typisch van de categorie iets lijkt te zijn. Je
gebruikt een gelijkenis als indicator waartoe iets behoort. Bijvoorbeeld: stereotypering.
Duaal proces theorieën
Soms baseren we ons oordeel op heuristieken en soms doen we dit niet.
- Duaal proces theorie: het voorstel dat een oordeel twee typen van denken bevat: een snelle,
efficiënte, maar soms defecte set van strategieën (systeem 1) en een langzamere, meer moeizamere
manier, maar minder riskantere set van strategieën (systeem 2).
De heuristieken zijn een type van denken (systeem 1): de snelle en efficiënte oordelen in een wijde
reeks van omstandigheden.
Bij het andere systeem zijn verschillende termen verbonden in vergelijking met systeem 1: intuïtie
vs. denken, associatie gedreven gedachten vs. regel gedreven gedachten, een perifeer route naar
conclusies vs. een centrale route, intuïtie vs. beraadslaging.
Wat zorgt voor de keuze tussen deze twee typen van denken?
- Men is meer geneigd tot de snelle strategie wanneer ze moe zijn of onder druk staan van tijd, of
wanneer er wordt gevraagd om na te denken over mogelijkheden.
- Men is meer geneigd om het langzamere systeem te gebruiken wanneer het probleem bepaalde
triggers bevat, of wanneer ze moeten denken over frequenties.
- Het gebruik van systeem 2 hangt ook af van het type bewijs waar over na wordt gedacht.
- Sommige vormen van opleiding maken het denken in systeem 2 meer waarschijnlijk.
Redenering: implicaties tekenen vanuit onze overtuigingen
De processen van redenering: beginnen met bepaalde overtuigingen en proberen vanuit daar
implicaties te tekenen: ‘Als ik geloof in X, welke andere vorderingen volgen hier uit?’. Dit proces
wordt gevolgtrekking genoemd; wanneer iemand nieuwe bewering wil ontlenen uit een al bestaande
bewering.
- Redeneren: het proces van het begrijpen van de implicaties van bepaalde overtuigingen.
Confirmatie bias
- Confirmatie bias: is de neiging om bewijs dat overeenkomt met jouw overtuigingen meer serieus te
nemen dan bewijs dat inconsistent is met jouw overtuigingen. Bijvoorbeeld: veel compulsieve
gamers geloven dat zij een strategie hebben waarmee je wint, wat hen rijkdom zal opleveren. Hun
lege portemonnees zijn bewijs tegen dit geloof, maar de gamers zien dat niet. Hun focus is op hun
winsten en zien hun verliezen als ‘bijna winsten’ of een geval van kans.
Gebrekkige (faulty) logica
- Syllogismen: een logicaprobleem die twee beweringen bevat en een conclusie; het syllogisme is
geldig wanneer de conclusie logisch is met de twee beweringen. Bijvoorbeeld: alle kunst is
gemaakt van hout en alle houten dingen kunnen worden veranderd in klokken, dus: alle kunst kan
veranderd worden in klokken.