Samenvatting Gleitman H11 intelligentie
Intelligentie testen
Alfred Binet speelde hier in een grote rol, hij zocht naar manieren om intelligentie te meten en die te
verbeteren. Het doel was om de ‘zwakkere’ studenten te identificeren en vervolgens hun prestaties
te verbeteren door middel van training.
Het meten van intelligentie
IQ (intelligentie quotiënt) = (je mentale leeftijd : chronologische leeftijd) x 100, kanttekening hierbij
is dat de recente IQ testen geen van deze twee elementen bevat. Bij het onderzoeken naar manieren
van het testen van de intelligentie werd men geleid door het idee dat intelligentie een capaciteit is
die van vele aspecten afhangt m.b.t. cognitief functioneren. Intelligentie is de mogelijkheid om te
plannen, redeneren, problemen op te lossen, abstract denken, snel te leren, begrijpen van complexe
ideeën en te leren van ervaringen.
- WISC: Wechsler Intelligence Scale for Children
- WAIS: Wechsler Adult Intelligence Scale
Net als de test van Binet, bestaan deze testen uit subtesten (zoals verbaal, ruimtelijk inzicht, en
logica).
Betrouwbaarheid en validiteit
- Betrouwbaarheid verwijst naar de consistentie van een meetwaarde in de resultaten en wordt vaak
beoordeeld door de test-hertest betrouwbaarheid te beoordelen.
- Validiteit: een assessment waaruit blijkt of een test meet wat hij moet meten, gebaseerd op dat de
score van de test overeen komt met een andere soortgelijke meting.
- Predictive validity (voorspellende validiteit): een beoordeling of een test meet wat de bedoeling is
om te meten, op basis van het feit of de testscore correleert met een ander relevant later gemeten
criterium.
IQ scores zijn de sterkste voorspellers van succes op een werkplek, of we nu objectief of subjectief
meten. Mensen met een hoog IQ hebben bijna altijd een betere baan dan mensen met een lager IQ.
Dit is natuurlijk geen perfecte correlatie, omdat we gemakkelijk lagere IQ-studenten kunnen vinden
die het goed doen op school, en hogere IQ-studenten die het slecht doen. Toch is deze correlatie
sterk genoeg om aan te geven dat IQ-scores ons in staat stellen om voorspellingen te doen over
academisch succes.
Wat is intelligentie? Een psychometrische benadering
Verdeeld in twee termen van brede opties:
1. Iemands score op een IQ test laat de algemene intelligentie van een persoon zien, een capaciteit
die een voordeel inhoud op elke mentale taak (Binet).
2. Er is niet zoiets als een algemene intelligentie, in tegendeel. Elke score van een persoon laat een
niveau van prestatie zien dat is geproduceerd door een collectie van talenten van de persoon.
De logica van psychometrie
- Psychometrische benadering van intelligentie: een poging om de ‘natuur’ van intelligentie te
begrijpen door de patronen van resultaten van een intelligentietest te bestuderen. Houdt
theorieën en definities terzijde.
Factoranalyse en het idee van algemene intelligentie
Bij het vergelijken van scores bij een van de subtesten met andere subtesten, bleek dat als men een
subtest niet goed heeft gedaan, de andere subtesten ook niet goed deed. Er zijn dus substantiële
overeenkomsten tussen de subtesten de overeenkomsten vertellen ons ook dat de subtesten
totaal niet onafhankelijk van elkaar zijn, ze overlappen elkaar.
, - Factoranalyse (factor analysis): een statistische methode die de onderliggende relaties onderzoekt
bij verschillende testen. Het doel is hierbij om te ontdekken of de testen beïnvloed worden door
dezelfde factoren, of door verschillende factoren (Charles Spearman).
Deze analyse bevestigt dat er een element is die wordt gedeeld door alle componenten van de IQ
test:
- Algemene intelligentie (g): een mentaal attribuut die wordt ingezet bij praktisch elke mentale taak,
dus mensen met veel ‘g’ hebben een voordeel bij elk intellectuele poging, en andersom (Spearman).
Een hiërarchisch model van intelligentie
Spearman gaf ook aan dat de subtesten niet alleen uit ‘g’ bestonden, maar ook uit specifieke
vaardigheden voor die subtest. Hoe goed iemand op een bepaalde test scoort hangt dus af van de
algemene intelligentie, en hoe goed ze zijn in gespecialiseerde vaardigheden voor die test. Dit
patroon laat ook zien waarom de scores van alle subtesten correleren (omdat alle subtesten van ‘g’
afhangen, en dus allemaal reflecteren of de persoon veel ‘g’ heeft of weinig) en waarom deze
correlaties niet perfect zijn (omdat elke test een specifieke vaardigheid meet).
Recente studies laten zien wat de gespecialiseerde vaardigheden zijn:
Algemene intelligentie ‘g’
Verbale/taalvaardigheid Numerale vaardigheid Ruimtelijke vaardigheid
(Je kunt deze drie nog verder onderverdelen in nog gespecialiseerdere vaardigheden.)
Uit deze hiërarchie blijkt dat er dus altijd correlatie is, omdat alles ‘af stamt’ van ‘g’. Er zijn sterke
overeenkomsten tussen alle IQ testen, en nog sterkere overeenkomsten tussen de subtesten van
dezelfde categorie. Welke hypothese klopt nu? Die van Binet dat intelligentie een algemene
vaardigheid is (bruikbaar voor alle taken), of dat er meerdere vormen van intelligentie zijn (elk
bruikbaar voor een bepaald type taak)?
Beide zijn correct. Elk persoon heeft een hoeveelheid ‘g’, er is consistentie in iemands prestatie,
maar deze is niet perfect omdat mentale taken ook gespecialiseerde vaardigheden nodig hebben.
Vloeibare en gekristalliseerde ‘G’
Er zijn nog twee vormen van intelligentie (zij staan in het middelste niveau van de hiërarchie):
- Vloeibare intelligentie (fluid intelligence/ fG): de vaardigheid om te kunnen omgaan met nieuwe
en ongewone problemen kun je nodig hebben als je geen goed geoefende routines hebt die je
kunt gebruiken bij een bepaald probleem. Bijv.: een moeilijke wiskunde som oplossen.
- Gekristalliseerde intelligentie (crystallized intelligence/ cG): verkregen kennis, inclusief iemands
woordenschat en cognitieve vaardigheden handig voor omgang met problemen die gelijk staan
aan al opgeloste problemen. Bijv.: fietsband lek en je weet hoe je hem moet plakken.
Deze vormen zijn gerelateerd aan elkaar: iemand met een hoge fG kan snel leren en zal snel de
kennis en vaardigheden werven waar cG uit bestaat iemand met veel fG zal dus eindigen met veel
cG. Verschillen:
- Gekristalliseerde intelligentie vergroot naar mate je ouder wordt – zo lang dat het individu in
dezelfde intellectuele, stimulerende omgeving blijft.
- Vloeibare intelligentie bereikt een hoogtepunt in de vroege volwassenheid en blijft daarna stabiel.
Factoren zoals alcoholgebruik of depressie veroorzaken meer schade in taken die vloeiende
intelligentie nodig hebben. Iemand die bijvoorbeeld moe is kan automatische taken nog wel kunnen
doen (hangen af van gekristalliseerde intelligentie).
Intelligentie testen
Alfred Binet speelde hier in een grote rol, hij zocht naar manieren om intelligentie te meten en die te
verbeteren. Het doel was om de ‘zwakkere’ studenten te identificeren en vervolgens hun prestaties
te verbeteren door middel van training.
Het meten van intelligentie
IQ (intelligentie quotiënt) = (je mentale leeftijd : chronologische leeftijd) x 100, kanttekening hierbij
is dat de recente IQ testen geen van deze twee elementen bevat. Bij het onderzoeken naar manieren
van het testen van de intelligentie werd men geleid door het idee dat intelligentie een capaciteit is
die van vele aspecten afhangt m.b.t. cognitief functioneren. Intelligentie is de mogelijkheid om te
plannen, redeneren, problemen op te lossen, abstract denken, snel te leren, begrijpen van complexe
ideeën en te leren van ervaringen.
- WISC: Wechsler Intelligence Scale for Children
- WAIS: Wechsler Adult Intelligence Scale
Net als de test van Binet, bestaan deze testen uit subtesten (zoals verbaal, ruimtelijk inzicht, en
logica).
Betrouwbaarheid en validiteit
- Betrouwbaarheid verwijst naar de consistentie van een meetwaarde in de resultaten en wordt vaak
beoordeeld door de test-hertest betrouwbaarheid te beoordelen.
- Validiteit: een assessment waaruit blijkt of een test meet wat hij moet meten, gebaseerd op dat de
score van de test overeen komt met een andere soortgelijke meting.
- Predictive validity (voorspellende validiteit): een beoordeling of een test meet wat de bedoeling is
om te meten, op basis van het feit of de testscore correleert met een ander relevant later gemeten
criterium.
IQ scores zijn de sterkste voorspellers van succes op een werkplek, of we nu objectief of subjectief
meten. Mensen met een hoog IQ hebben bijna altijd een betere baan dan mensen met een lager IQ.
Dit is natuurlijk geen perfecte correlatie, omdat we gemakkelijk lagere IQ-studenten kunnen vinden
die het goed doen op school, en hogere IQ-studenten die het slecht doen. Toch is deze correlatie
sterk genoeg om aan te geven dat IQ-scores ons in staat stellen om voorspellingen te doen over
academisch succes.
Wat is intelligentie? Een psychometrische benadering
Verdeeld in twee termen van brede opties:
1. Iemands score op een IQ test laat de algemene intelligentie van een persoon zien, een capaciteit
die een voordeel inhoud op elke mentale taak (Binet).
2. Er is niet zoiets als een algemene intelligentie, in tegendeel. Elke score van een persoon laat een
niveau van prestatie zien dat is geproduceerd door een collectie van talenten van de persoon.
De logica van psychometrie
- Psychometrische benadering van intelligentie: een poging om de ‘natuur’ van intelligentie te
begrijpen door de patronen van resultaten van een intelligentietest te bestuderen. Houdt
theorieën en definities terzijde.
Factoranalyse en het idee van algemene intelligentie
Bij het vergelijken van scores bij een van de subtesten met andere subtesten, bleek dat als men een
subtest niet goed heeft gedaan, de andere subtesten ook niet goed deed. Er zijn dus substantiële
overeenkomsten tussen de subtesten de overeenkomsten vertellen ons ook dat de subtesten
totaal niet onafhankelijk van elkaar zijn, ze overlappen elkaar.
, - Factoranalyse (factor analysis): een statistische methode die de onderliggende relaties onderzoekt
bij verschillende testen. Het doel is hierbij om te ontdekken of de testen beïnvloed worden door
dezelfde factoren, of door verschillende factoren (Charles Spearman).
Deze analyse bevestigt dat er een element is die wordt gedeeld door alle componenten van de IQ
test:
- Algemene intelligentie (g): een mentaal attribuut die wordt ingezet bij praktisch elke mentale taak,
dus mensen met veel ‘g’ hebben een voordeel bij elk intellectuele poging, en andersom (Spearman).
Een hiërarchisch model van intelligentie
Spearman gaf ook aan dat de subtesten niet alleen uit ‘g’ bestonden, maar ook uit specifieke
vaardigheden voor die subtest. Hoe goed iemand op een bepaalde test scoort hangt dus af van de
algemene intelligentie, en hoe goed ze zijn in gespecialiseerde vaardigheden voor die test. Dit
patroon laat ook zien waarom de scores van alle subtesten correleren (omdat alle subtesten van ‘g’
afhangen, en dus allemaal reflecteren of de persoon veel ‘g’ heeft of weinig) en waarom deze
correlaties niet perfect zijn (omdat elke test een specifieke vaardigheid meet).
Recente studies laten zien wat de gespecialiseerde vaardigheden zijn:
Algemene intelligentie ‘g’
Verbale/taalvaardigheid Numerale vaardigheid Ruimtelijke vaardigheid
(Je kunt deze drie nog verder onderverdelen in nog gespecialiseerdere vaardigheden.)
Uit deze hiërarchie blijkt dat er dus altijd correlatie is, omdat alles ‘af stamt’ van ‘g’. Er zijn sterke
overeenkomsten tussen alle IQ testen, en nog sterkere overeenkomsten tussen de subtesten van
dezelfde categorie. Welke hypothese klopt nu? Die van Binet dat intelligentie een algemene
vaardigheid is (bruikbaar voor alle taken), of dat er meerdere vormen van intelligentie zijn (elk
bruikbaar voor een bepaald type taak)?
Beide zijn correct. Elk persoon heeft een hoeveelheid ‘g’, er is consistentie in iemands prestatie,
maar deze is niet perfect omdat mentale taken ook gespecialiseerde vaardigheden nodig hebben.
Vloeibare en gekristalliseerde ‘G’
Er zijn nog twee vormen van intelligentie (zij staan in het middelste niveau van de hiërarchie):
- Vloeibare intelligentie (fluid intelligence/ fG): de vaardigheid om te kunnen omgaan met nieuwe
en ongewone problemen kun je nodig hebben als je geen goed geoefende routines hebt die je
kunt gebruiken bij een bepaald probleem. Bijv.: een moeilijke wiskunde som oplossen.
- Gekristalliseerde intelligentie (crystallized intelligence/ cG): verkregen kennis, inclusief iemands
woordenschat en cognitieve vaardigheden handig voor omgang met problemen die gelijk staan
aan al opgeloste problemen. Bijv.: fietsband lek en je weet hoe je hem moet plakken.
Deze vormen zijn gerelateerd aan elkaar: iemand met een hoge fG kan snel leren en zal snel de
kennis en vaardigheden werven waar cG uit bestaat iemand met veel fG zal dus eindigen met veel
cG. Verschillen:
- Gekristalliseerde intelligentie vergroot naar mate je ouder wordt – zo lang dat het individu in
dezelfde intellectuele, stimulerende omgeving blijft.
- Vloeibare intelligentie bereikt een hoogtepunt in de vroege volwassenheid en blijft daarna stabiel.
Factoren zoals alcoholgebruik of depressie veroorzaken meer schade in taken die vloeiende
intelligentie nodig hebben. Iemand die bijvoorbeeld moe is kan automatische taken nog wel kunnen
doen (hangen af van gekristalliseerde intelligentie).