Hoofdstuk 5
Om fouten te voorkomen en het diagnostische proces te maximaliseren, wordt er gewerkt met het HTM waarin
op basis van waarnemingen met het ene instrument hypothese worden ontwikkeld die door afname van een
tweede of derde instrument worden getoetst. Als de toetsing negatief uitvalt, zullen nieuwe hypotheses
moeten worden opgesteld, net zolang tot de verzameling bevestigde hypotheses een volledig beeld van de
problematiek of vraag geeft.
Hoofdstuk 5.1
* Een hypothese is een veronderstelling die nog niet bewezen is. Deze worden als stellingen geformuleerd, niet
als vragen. Hypothese moet leiden naar een toetsbare voorspelling.
* Een hypothese toets je met meerdere instrumenten.
* ‘Alles is meetbaar’: operationaliseren (de één heeft een ander beeld bij agressie dan de andere, duidelijk
maken wat agressie is) = hypotheses meetbaar maken.
In het hypothesetoetsend model ligt sterk de nadruk op het intakegesprek en de aanvankelijke
probleemanalyse. In deze gesprekken probeer de toegepast psycholoog al gelijk een scherp beeld van de
problematiek of de vraagstelling te vormen, zonder dat er speciale testen of andere instrumenten worden
ingezet.
Op basis van de informatiebronnen die worden aangeleverd door ouders, partners, artsen etc, trekt de
psycholoog een voorlopige, maar wel logisch samenhangende conclusies over de belangrijkste factoren binnen
de gegeven problematiek en hoe die onderling samenhangen.
Op basis van de gestelde hypotheses wordt verder onderzoek rechtvaardigt. Uiteindelijk zal blijken welke
hypothese waar is. Op basis van die vermoedens kiest de toegepast psycholoog zijn instrumenten en geeft hij
het vervolgonderzoek vorm. De uitslagen van het zorgvuldig samengestelde testprogramma bevestigen of
weerleggen de aanvankelijke vermoedens van de diagnost. In het geval van weerleggen, kan hij op basis van
nieuw verkregen informatie een aanvullende gesprekken, hernieuwde hypotheses opstellen en instrumenten
kiezen om deze nieuwe hypotheses te toetsen. Dit wordt een paar keer herhaald totdat alle hypotheses
worden bevestigd en de psycholoog kan concluderen dat hij een juist beeld heeft van de aanvankelijke
problematiek. Pas dan wordt de stap gezet om interventies (oplossingen) te bedenken, voor te schrijven of uit
te voeren.
1. Wat is er aan de hand? (onderkenning)
2. Waarom zijn er gedragsproblemen? (verklaring)
3. Ontwikkeling toekomst? (predictie)
4. Hoe kunnen problemen verholpen worden? (Indicatie)
5. Problemen voldoende verholpen? (evaluatie)
Hoofdstuk 5.2
Hoofdstuk 5.3
HTM: startpunt in instrumentkeuze
* Hoe hoort het niet? Eerst een brede vragenlijst inzetten
1
Om fouten te voorkomen en het diagnostische proces te maximaliseren, wordt er gewerkt met het HTM waarin
op basis van waarnemingen met het ene instrument hypothese worden ontwikkeld die door afname van een
tweede of derde instrument worden getoetst. Als de toetsing negatief uitvalt, zullen nieuwe hypotheses
moeten worden opgesteld, net zolang tot de verzameling bevestigde hypotheses een volledig beeld van de
problematiek of vraag geeft.
Hoofdstuk 5.1
* Een hypothese is een veronderstelling die nog niet bewezen is. Deze worden als stellingen geformuleerd, niet
als vragen. Hypothese moet leiden naar een toetsbare voorspelling.
* Een hypothese toets je met meerdere instrumenten.
* ‘Alles is meetbaar’: operationaliseren (de één heeft een ander beeld bij agressie dan de andere, duidelijk
maken wat agressie is) = hypotheses meetbaar maken.
In het hypothesetoetsend model ligt sterk de nadruk op het intakegesprek en de aanvankelijke
probleemanalyse. In deze gesprekken probeer de toegepast psycholoog al gelijk een scherp beeld van de
problematiek of de vraagstelling te vormen, zonder dat er speciale testen of andere instrumenten worden
ingezet.
Op basis van de informatiebronnen die worden aangeleverd door ouders, partners, artsen etc, trekt de
psycholoog een voorlopige, maar wel logisch samenhangende conclusies over de belangrijkste factoren binnen
de gegeven problematiek en hoe die onderling samenhangen.
Op basis van de gestelde hypotheses wordt verder onderzoek rechtvaardigt. Uiteindelijk zal blijken welke
hypothese waar is. Op basis van die vermoedens kiest de toegepast psycholoog zijn instrumenten en geeft hij
het vervolgonderzoek vorm. De uitslagen van het zorgvuldig samengestelde testprogramma bevestigen of
weerleggen de aanvankelijke vermoedens van de diagnost. In het geval van weerleggen, kan hij op basis van
nieuw verkregen informatie een aanvullende gesprekken, hernieuwde hypotheses opstellen en instrumenten
kiezen om deze nieuwe hypotheses te toetsen. Dit wordt een paar keer herhaald totdat alle hypotheses
worden bevestigd en de psycholoog kan concluderen dat hij een juist beeld heeft van de aanvankelijke
problematiek. Pas dan wordt de stap gezet om interventies (oplossingen) te bedenken, voor te schrijven of uit
te voeren.
1. Wat is er aan de hand? (onderkenning)
2. Waarom zijn er gedragsproblemen? (verklaring)
3. Ontwikkeling toekomst? (predictie)
4. Hoe kunnen problemen verholpen worden? (Indicatie)
5. Problemen voldoende verholpen? (evaluatie)
Hoofdstuk 5.2
Hoofdstuk 5.3
HTM: startpunt in instrumentkeuze
* Hoe hoort het niet? Eerst een brede vragenlijst inzetten
1