Besluit in de zin van een Awb?
Voorwaarden art. 3:1 lid 1 Awb:
- Schriftelijke beslissing: Ja, brief
- Van een bestuursorgaan? Ja, a-orgaan ex art. 1:1 lid 1 sub a Awb.
o Rechtspersoon is de provincie ex art. 2:1 lid 1 Awb.
o De gedeputeerde staten is een orgaan van de provincie ex art. 6 Provinciewet.
- Publiekrechtelijk rechtshandeling?
o Exclusieve bevoegdheid eenzijdig burgers te binden aan in dit geval een sanctie.
o Rechtsgevolg is de plicht om last op te volgen om binnen een maand drie
windturbines af te breken.
Soort besluit:
- Beschikking, want individueel gericht ex art. 5:9 jo 1:3 lid 2 Awb.
Sanctie:
- Herstelsanctie ex art. 5:2 lid 1 sub b Awb.
- Last onder bestuursdwang ex art. 5:21 Awb aangezien het doel is het afbreken en met een
dwangsom bereik je dit niet en er is ook geen aanwijzing gegeven voor een dwangsom.
Awb-besluit en bezwaar
- In casus is sprake van een beschikking.
- Aangezien ook een afwijzing van een aanvraag valt onder een beschikking
- Ex art. 1:3 lid 2 Awb.
- Een beschikking is niet uitgezonderd van bestuursrechtelijke rechtsbescherming
- Ex art. 8:3 Awb
- De reguliere bezwaarprocedure staat open want geen bijzondere regeling die administratief
beroep aangeeft.
- Joey kan dus in bezwaar en beroep
- Ex art. 7:1 jo 8:1 Awb.
Wie is strafbaar?
- Adri is strafbaar als pleger van het delict ex art. 47 lid 1 sub 1 Sr.
- Henk is medeplichtig aan het delict omdat hij behulpzaam is bij het plegen van het delict ex
art. 48 aanhef en lid 1 Sr.
- Art. 443 Sr is echter een overtreding want het staat in het Derde Boek van het Wetboek van
Strafrecht.
- Medeplichtigheid bij een overtreding is alleen niet strafbaar op grond van art. 52 Sr.
- Henk is dus niet strafbaar.
Materiële vragen bespreken
- De materiële vragen staan in art. 350 Sv.
- Kan de tenlastelegging worden bewezen?
o Ja, alles wat in de tenlastelegging staat heeft Maaike volgens de casus gedaan.
- Is het feit strafbaar volgens de wet?
o Nee, de gegevens dienen opzettelijk en wederrechtelijk gewist te worden.
Opzettelijke ontbreekt in de tenlastelegging. Het tenlastegelegde levert dus geen
strafbaar feit op.
o De einduitspraak zal ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van
het feit zijn op grond van art. 352 lid 2 Sv.
- Is de dader strafbaar?
, o Nee, er kan een succesvol beroep gedaan worden op psychische overmacht dus een
schulduitsluitingsgrond waardoor de dader niet strafbaar is.
o Dit zou als de tweede materiële vraag niet al tot een einduitspraak zou hebben
geleid, leiden tot ontslag van alle rechtsvervolg wegens niet strafbaarheid van de
dader ex art 352 lid 2 Sv.
- Welke straf/sanctie?
o Twee jaren of een geldboete van de vierde categorie ex art. 350a Sr
o Geldboete van de vierde categorie is volgens art. 23 lid 4 Sr €21.750
Geschil tussen buurlanden
- Het Internationaal Gerechtshof is bevoegd als een land zich vrijwillig aan zijn rechtsmacht
onderwerpt, art. 36 Statuut IGH.
- Het IGH zal niet het verdrag kunnen toepassen ook al was het gewoonterecht hierin
gekwalificeerd want Hoogrijk heeft het Zeerechtverdrag nog niet geratificeerd.
- De rechter zal dus alleen het internationaal gewoonterecht kunnen toepassen als hij oordeelt
dat sprake is van statenpraktijk (usus) en opinio iuris (rechtsovertuiging) ex art. 38 lid 1 sub b
Statuut IGH
Richtlijnen die doorwerken in het Duitse recht
Stelling 1:
- Onjuist
- De EU is op grond van art. 3 lid 2 sub b VwEU wel bevoegd op het gebied van
mededingingsregels die nodig zijn ten aanzien van de interne markt te beslissen.
- De EU is zelfs op grond van art. 2 lid 1 VwEU exclusief bevoegd wat betekent dat de Unie
optreedt en een lidstaat dat niet mag tenzij deze gemachtigd is.
- De lidstaten van de EU hebben enkele bevoegdheden aan haar overgedragen. Binnen deze
bevoegdheid mag de EU handelen. Dit is terug te vinden in het attributiebeginsel ex art. 5
VEU. Daarom is het van belang te kijken of de EU bevoegd is.
Stelling 2:
- Onjuist
- Art. 288 VwEU stelt dat een Richtlijn wel eerst moet worden uitgewerkt en het legt de
verplichting af binnen een bepaalde tijd de nationale wetgeving aan te passen aan de
richtlijn. Dit is dus niet een algemeen verbindend voorschrift.
- De rechter is mogelijk in de war met een verordening die wel in al haar onderdelen direct
verbindend is.
Overeenkomst
- Een overeenkomst komt tot stand door het aanbod en de aanvaarding daarvan ex art. 6:217
BW.
- Aanbod en aanvaarding dienen bij de bestaan uit een op rechtgevolg gerichte wil die zich
door een verklaring heeft geopenbaard, want het zijn immers rechtshandelingen ex art. 3:33
BW.
- In casus blijkt de wil van de webwinkel niet overeen te komen met de verklaring. Er is sprake
van wilsontbreken aangezien het niet de wil was de televisie voor €749 aan te bieden door
de webwinkel.
- Zonder dit beoogde rechtsgevolg is er geen sprake van een aanbod in de zin van rt. 6:217 BW
en komt er in beginsel geen overeenkomst tot stand.
- Tenzij er een beroep kan worden gedaan op de vertrouwensleer ex art. 3:35 BW.
- Dit is in casus niet het geval aangezien Hendrik weet dat de televisie nergens ooit goedkoper
is aangeboden dan voor €1749 en de prijs waarvoor hij nu wordt aangeboden €1000
goedkoper is. Hendrik mocht dus redelijkerwijs niet aannemen dat de televisie voor €1000
Voorwaarden art. 3:1 lid 1 Awb:
- Schriftelijke beslissing: Ja, brief
- Van een bestuursorgaan? Ja, a-orgaan ex art. 1:1 lid 1 sub a Awb.
o Rechtspersoon is de provincie ex art. 2:1 lid 1 Awb.
o De gedeputeerde staten is een orgaan van de provincie ex art. 6 Provinciewet.
- Publiekrechtelijk rechtshandeling?
o Exclusieve bevoegdheid eenzijdig burgers te binden aan in dit geval een sanctie.
o Rechtsgevolg is de plicht om last op te volgen om binnen een maand drie
windturbines af te breken.
Soort besluit:
- Beschikking, want individueel gericht ex art. 5:9 jo 1:3 lid 2 Awb.
Sanctie:
- Herstelsanctie ex art. 5:2 lid 1 sub b Awb.
- Last onder bestuursdwang ex art. 5:21 Awb aangezien het doel is het afbreken en met een
dwangsom bereik je dit niet en er is ook geen aanwijzing gegeven voor een dwangsom.
Awb-besluit en bezwaar
- In casus is sprake van een beschikking.
- Aangezien ook een afwijzing van een aanvraag valt onder een beschikking
- Ex art. 1:3 lid 2 Awb.
- Een beschikking is niet uitgezonderd van bestuursrechtelijke rechtsbescherming
- Ex art. 8:3 Awb
- De reguliere bezwaarprocedure staat open want geen bijzondere regeling die administratief
beroep aangeeft.
- Joey kan dus in bezwaar en beroep
- Ex art. 7:1 jo 8:1 Awb.
Wie is strafbaar?
- Adri is strafbaar als pleger van het delict ex art. 47 lid 1 sub 1 Sr.
- Henk is medeplichtig aan het delict omdat hij behulpzaam is bij het plegen van het delict ex
art. 48 aanhef en lid 1 Sr.
- Art. 443 Sr is echter een overtreding want het staat in het Derde Boek van het Wetboek van
Strafrecht.
- Medeplichtigheid bij een overtreding is alleen niet strafbaar op grond van art. 52 Sr.
- Henk is dus niet strafbaar.
Materiële vragen bespreken
- De materiële vragen staan in art. 350 Sv.
- Kan de tenlastelegging worden bewezen?
o Ja, alles wat in de tenlastelegging staat heeft Maaike volgens de casus gedaan.
- Is het feit strafbaar volgens de wet?
o Nee, de gegevens dienen opzettelijk en wederrechtelijk gewist te worden.
Opzettelijke ontbreekt in de tenlastelegging. Het tenlastegelegde levert dus geen
strafbaar feit op.
o De einduitspraak zal ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van
het feit zijn op grond van art. 352 lid 2 Sv.
- Is de dader strafbaar?
, o Nee, er kan een succesvol beroep gedaan worden op psychische overmacht dus een
schulduitsluitingsgrond waardoor de dader niet strafbaar is.
o Dit zou als de tweede materiële vraag niet al tot een einduitspraak zou hebben
geleid, leiden tot ontslag van alle rechtsvervolg wegens niet strafbaarheid van de
dader ex art 352 lid 2 Sv.
- Welke straf/sanctie?
o Twee jaren of een geldboete van de vierde categorie ex art. 350a Sr
o Geldboete van de vierde categorie is volgens art. 23 lid 4 Sr €21.750
Geschil tussen buurlanden
- Het Internationaal Gerechtshof is bevoegd als een land zich vrijwillig aan zijn rechtsmacht
onderwerpt, art. 36 Statuut IGH.
- Het IGH zal niet het verdrag kunnen toepassen ook al was het gewoonterecht hierin
gekwalificeerd want Hoogrijk heeft het Zeerechtverdrag nog niet geratificeerd.
- De rechter zal dus alleen het internationaal gewoonterecht kunnen toepassen als hij oordeelt
dat sprake is van statenpraktijk (usus) en opinio iuris (rechtsovertuiging) ex art. 38 lid 1 sub b
Statuut IGH
Richtlijnen die doorwerken in het Duitse recht
Stelling 1:
- Onjuist
- De EU is op grond van art. 3 lid 2 sub b VwEU wel bevoegd op het gebied van
mededingingsregels die nodig zijn ten aanzien van de interne markt te beslissen.
- De EU is zelfs op grond van art. 2 lid 1 VwEU exclusief bevoegd wat betekent dat de Unie
optreedt en een lidstaat dat niet mag tenzij deze gemachtigd is.
- De lidstaten van de EU hebben enkele bevoegdheden aan haar overgedragen. Binnen deze
bevoegdheid mag de EU handelen. Dit is terug te vinden in het attributiebeginsel ex art. 5
VEU. Daarom is het van belang te kijken of de EU bevoegd is.
Stelling 2:
- Onjuist
- Art. 288 VwEU stelt dat een Richtlijn wel eerst moet worden uitgewerkt en het legt de
verplichting af binnen een bepaalde tijd de nationale wetgeving aan te passen aan de
richtlijn. Dit is dus niet een algemeen verbindend voorschrift.
- De rechter is mogelijk in de war met een verordening die wel in al haar onderdelen direct
verbindend is.
Overeenkomst
- Een overeenkomst komt tot stand door het aanbod en de aanvaarding daarvan ex art. 6:217
BW.
- Aanbod en aanvaarding dienen bij de bestaan uit een op rechtgevolg gerichte wil die zich
door een verklaring heeft geopenbaard, want het zijn immers rechtshandelingen ex art. 3:33
BW.
- In casus blijkt de wil van de webwinkel niet overeen te komen met de verklaring. Er is sprake
van wilsontbreken aangezien het niet de wil was de televisie voor €749 aan te bieden door
de webwinkel.
- Zonder dit beoogde rechtsgevolg is er geen sprake van een aanbod in de zin van rt. 6:217 BW
en komt er in beginsel geen overeenkomst tot stand.
- Tenzij er een beroep kan worden gedaan op de vertrouwensleer ex art. 3:35 BW.
- Dit is in casus niet het geval aangezien Hendrik weet dat de televisie nergens ooit goedkoper
is aangeboden dan voor €1749 en de prijs waarvoor hij nu wordt aangeboden €1000
goedkoper is. Hendrik mocht dus redelijkerwijs niet aannemen dat de televisie voor €1000