Europese economische integratie
Een douane unie is een groep van landen die beslissen om ten opzichte van elkaar ( en dus
symmetrisch in alle richtingen ) de invoerheffingen en zoveel mogelijk handelsbelemmeringen af te
schaffen.
Landen in de EU gaan geen invoerheffingen aan elkaar vragen.
➔ Het is symmetrisch en wederkerig
➔ Het is preferentieel ( enkel voor de lidstaten in de EU ) → als je geen lid bent van de EU dan
heeft die wel een invoerbelasting
Om een preferentiële liberalisering te bekijken moet je kijken naar 3 landen.
Inleiding : wat betekent Europese integratie van de internationale handel
- Binnen de EU worden bestaande tarieven en handelsbelemmeringen systematisch
verminderd ( ze moeten het niet bij elkaar betalen )
- Deze verminderingen gelden niet voor niet EU-landen ( bv. Amerika moet nog steeds
invoerheffingen betalen )
- Dus preferentiële behandeling van andere lidstaten van de EU
- Deze preferentiële behandeling is symmetrisch tussen alle lidstaten van de EU
- Een gemeenschappelijk tarief ten opzichte van niet EU-landen
→ In een douane unie zijn de invoerheffingen uniform. Elke lidstaat van de EU hanteert
dezelfde invoerheffingen wanneer ze importeren van niet EU-landen.
De welvaartseffecten van een tarief
Je hebt 2 landen en het ene land voert in van het andere. Wat is het gevolg voor het land dat
invoert?
We werken in 3 stappen
- De vraagfunctie naar invoer
Wat is het verband tussen prijzen die buitenlandse producten in België kunnen krijgen en de
hoeveelheid invoer die wij wensen
- Welvaartseffecten van een tarief in het geval van een perfect elastisch aanbod van invoer uit
het buitenland
Wij kunnen invoeren uit het buitenland tegen een bepaalde prijs van de wereldmarkt zoveel
als we willen ( de aanbodcurve is volledig horizontaal ) maar dat is niet zo realistisch want als
de prijzen hier hoger liggen dan is het voor Nederlandse bedrijven interessanter om naar hier
uit te voeren. Het aanbod van Nederlandse producten gaat afhangen van de prijzen hier. Het
gaat dus niet volledig horizontaal zijn, maar een helling hebben.
- Welvaartseffecten van een tarief : het algemeen geval
1
,De vraagfunctie naar invoer
Vraagcurve naar
invoer
Afstand van p*
naar p’ bekom je
door C’-Z’ te
doen.
Hetzelfde voor
p” dan moet je
het Z”-C” doen.
Eerst willen we de vraagfunctie naar ons land afleiden.
Je hebt de binnenlandse vraag naar een bepaald product en die vraagcurve heeft een klassieke
negatieve helling. Als iets duurder wordt dan willen we er minder van hebben.
De aanbodcurve is de curve van de binnenlandse producenten → afhankelijk van de prijs die de
binnenlandse bedrijven kunnen krijgen op de markt, hoeveel gaan ze bereid zijn aan te bieden.
De aanbodcurve reflecteert ergens marginale productiekosten.
- Als de prijs laag is dan zijn het enkel de bedrijven die lage productiekosten hebben die
kunnen aanbieden
- Als de prijs stijgt dan kunnen ook bedrijven met een hogere marginale productiekosten hun
producten aanbieden
➔ Dat is de reden dat de aanbodcurve een positieve helling heeft
Het evenwicht op de binnenlandse markt is bij de prijs p*. Als de prijs p* is dan is de vraag naar dat
product precies gelijk aan het aanbod van de binnenlandse bedrijven → je hebt dan geen invoer
nodig. De bedrijven kunnen alles aanbieden wat we nodig hebben.
Als de prijs lager is dan p* dan heb je wel invoer. Want dan is de hoeveelheid dat wij willen kopen
groter dan de hoeveelheid dat de binnenlandse bedrijven op de markt willen gooien.
Als de prijs p* is dan is de invoer 0 → vraag = aanbod van de binnenlandse bedrijven
Als de prijs p’ is dan is het verschil tussen Z’ en C’ de invoer die nodig is als de prijs p’ is. ( het is
weergegeven op de rechter grafiek ) → zo kan je de vraagfunctie naar invoer afleiden.
Alles wat niet geleverd kan worden door binnenlandse bedrijven wordt ingevoerd.
2
, Welvaartseffecten van een tarief met een perfect elastisch aanbod invoer
MS is in dit
geval
horizontaal.
MS =
aanbodcurve
van
buitenlandse
producenten
Wat gebeurt er als België een belasting oplegt zodat de prijs van p’ naar p” verschuift.
➔ De invoer neemt af
Welvaartseffecten
Als je een invoerheffing oplegt dan zijn de consumenten er slechter aan toe en dat hebben we
gemeten door de verandering van het consumentensurplus.
- De producenten krijgen hogere prijzen en kunnen meer aanbieden
- De consumenten gaan er op achteruit
De oppervlakte C zijn de belastinginkomsten
De consumenten verliezen A+B+C+D
De producenten winnen A
Het netto-effect (nettoverlies) is B+D omdat de consumenten A+B+C+D verliezen maar de
producenten winnen A dus dan is er nog A+B+C over. De belastinginkomsten voor de overheid
bedragen C dus blijft er nog A+B over.
Op de tweede grafiek is E = B+D. We weten dat omdat B en D het verlies aan consumentensurplus
gecorrigeerd met het producentensurplus en de overheidsinkomsten weergeeft.
Het nettoverlies aan consumentensurplus is C+E-C. E is het verlies aan surplus op de invoermarkt.
3
Een douane unie is een groep van landen die beslissen om ten opzichte van elkaar ( en dus
symmetrisch in alle richtingen ) de invoerheffingen en zoveel mogelijk handelsbelemmeringen af te
schaffen.
Landen in de EU gaan geen invoerheffingen aan elkaar vragen.
➔ Het is symmetrisch en wederkerig
➔ Het is preferentieel ( enkel voor de lidstaten in de EU ) → als je geen lid bent van de EU dan
heeft die wel een invoerbelasting
Om een preferentiële liberalisering te bekijken moet je kijken naar 3 landen.
Inleiding : wat betekent Europese integratie van de internationale handel
- Binnen de EU worden bestaande tarieven en handelsbelemmeringen systematisch
verminderd ( ze moeten het niet bij elkaar betalen )
- Deze verminderingen gelden niet voor niet EU-landen ( bv. Amerika moet nog steeds
invoerheffingen betalen )
- Dus preferentiële behandeling van andere lidstaten van de EU
- Deze preferentiële behandeling is symmetrisch tussen alle lidstaten van de EU
- Een gemeenschappelijk tarief ten opzichte van niet EU-landen
→ In een douane unie zijn de invoerheffingen uniform. Elke lidstaat van de EU hanteert
dezelfde invoerheffingen wanneer ze importeren van niet EU-landen.
De welvaartseffecten van een tarief
Je hebt 2 landen en het ene land voert in van het andere. Wat is het gevolg voor het land dat
invoert?
We werken in 3 stappen
- De vraagfunctie naar invoer
Wat is het verband tussen prijzen die buitenlandse producten in België kunnen krijgen en de
hoeveelheid invoer die wij wensen
- Welvaartseffecten van een tarief in het geval van een perfect elastisch aanbod van invoer uit
het buitenland
Wij kunnen invoeren uit het buitenland tegen een bepaalde prijs van de wereldmarkt zoveel
als we willen ( de aanbodcurve is volledig horizontaal ) maar dat is niet zo realistisch want als
de prijzen hier hoger liggen dan is het voor Nederlandse bedrijven interessanter om naar hier
uit te voeren. Het aanbod van Nederlandse producten gaat afhangen van de prijzen hier. Het
gaat dus niet volledig horizontaal zijn, maar een helling hebben.
- Welvaartseffecten van een tarief : het algemeen geval
1
,De vraagfunctie naar invoer
Vraagcurve naar
invoer
Afstand van p*
naar p’ bekom je
door C’-Z’ te
doen.
Hetzelfde voor
p” dan moet je
het Z”-C” doen.
Eerst willen we de vraagfunctie naar ons land afleiden.
Je hebt de binnenlandse vraag naar een bepaald product en die vraagcurve heeft een klassieke
negatieve helling. Als iets duurder wordt dan willen we er minder van hebben.
De aanbodcurve is de curve van de binnenlandse producenten → afhankelijk van de prijs die de
binnenlandse bedrijven kunnen krijgen op de markt, hoeveel gaan ze bereid zijn aan te bieden.
De aanbodcurve reflecteert ergens marginale productiekosten.
- Als de prijs laag is dan zijn het enkel de bedrijven die lage productiekosten hebben die
kunnen aanbieden
- Als de prijs stijgt dan kunnen ook bedrijven met een hogere marginale productiekosten hun
producten aanbieden
➔ Dat is de reden dat de aanbodcurve een positieve helling heeft
Het evenwicht op de binnenlandse markt is bij de prijs p*. Als de prijs p* is dan is de vraag naar dat
product precies gelijk aan het aanbod van de binnenlandse bedrijven → je hebt dan geen invoer
nodig. De bedrijven kunnen alles aanbieden wat we nodig hebben.
Als de prijs lager is dan p* dan heb je wel invoer. Want dan is de hoeveelheid dat wij willen kopen
groter dan de hoeveelheid dat de binnenlandse bedrijven op de markt willen gooien.
Als de prijs p* is dan is de invoer 0 → vraag = aanbod van de binnenlandse bedrijven
Als de prijs p’ is dan is het verschil tussen Z’ en C’ de invoer die nodig is als de prijs p’ is. ( het is
weergegeven op de rechter grafiek ) → zo kan je de vraagfunctie naar invoer afleiden.
Alles wat niet geleverd kan worden door binnenlandse bedrijven wordt ingevoerd.
2
, Welvaartseffecten van een tarief met een perfect elastisch aanbod invoer
MS is in dit
geval
horizontaal.
MS =
aanbodcurve
van
buitenlandse
producenten
Wat gebeurt er als België een belasting oplegt zodat de prijs van p’ naar p” verschuift.
➔ De invoer neemt af
Welvaartseffecten
Als je een invoerheffing oplegt dan zijn de consumenten er slechter aan toe en dat hebben we
gemeten door de verandering van het consumentensurplus.
- De producenten krijgen hogere prijzen en kunnen meer aanbieden
- De consumenten gaan er op achteruit
De oppervlakte C zijn de belastinginkomsten
De consumenten verliezen A+B+C+D
De producenten winnen A
Het netto-effect (nettoverlies) is B+D omdat de consumenten A+B+C+D verliezen maar de
producenten winnen A dus dan is er nog A+B+C over. De belastinginkomsten voor de overheid
bedragen C dus blijft er nog A+B over.
Op de tweede grafiek is E = B+D. We weten dat omdat B en D het verlies aan consumentensurplus
gecorrigeerd met het producentensurplus en de overheidsinkomsten weergeeft.
Het nettoverlies aan consumentensurplus is C+E-C. E is het verlies aan surplus op de invoermarkt.
3