Hoofdstuk 1: inleidende begrippen
Definities
Sociale economie
o = heeft betrekking op de sociale aspecten van de economische activiteit
Micro-economie
o = bestudeert het gedrag van individuele gezins- en bedrijfshuishoudingen
vb. inkomensbestedingen, spaargedrag, sociale tewerkstellingen, specifieke
doelgroepen, …
Macro-economie
o = economie van bovenaf bekeken, het geheel
vb. nationale inkomen, arbeidsmarkt (vragers en aanbieders), werkloosheid,
participatiegraad, inkomensverdeling, …
De economische kringloop
Gezinnen => consumenten hebben behoeften -> worden bevredigd door goederen en
diensten
Goederen en diensten worden geproduceerd door overheid en bedrijven => producenten
Om goederen te kunnen kopen -> inkomen
nodig -> werken op de arbeidsmarkt of RSZ-
uitkering
Om de uitkeringen van de RSZ te
financieren -> bijdragen van WN en WG
= loonkost
Bedrijven vragen naar arbeid = vragers,
gezinnen bieden zich aan = aanbieders
Effectieve vraag = vraag naar goederen en diensten
Vraag door 3 partijen: gezinnen (consumenten),
bedrijven & de overheid (producenten)
Het bruto binnenlands product (bbp = P x Q)
= de marktwaarde van alle goederen en diensten die er op 1 jaar tijd geproduceerd worden
totale inkomen van de mensen die in een land wonen
Het BBP is:
Een populaire maatstaf voor de welvaartscreatie van een land of regio
Een belangrijke referentiestatistiek. Het fungeert als noemer om grootheden zoals
onderwijsuitgaven in een juister perspectief te plaatsen.
Het laat vergelijkingen toe met andere landen / regio’s.
BBP vergelijken met vorige periodes: deze uitdrukken in % = de economische groei
o Als deze groeit consumenten in een land kochten meer dan het jaar ervoor
Dit geeft meer welvaart, maar dit is op zich niet genoeg
Inflatie = de gemiddelde stijging van de prijzen van alle goederen, wat gemiddeld tussen 1 &
2% gaat zijn.
o Als de economische groei kleiner is dan de inflatie, is dit niet goed!
o Gevolgen daling: lagere winsten, lager inkomen, meer werklozen, RSZ-inkomsten
dalen…
Pagina 1 van 23
,Hoofdstuk 2: prijsvorming op de arbeidsmarkt
Arbeidsmarkt = het geheel van vraag naar en aanbod van arbeid
Bedrijven vragen naar arbeid = vragers
gezinnen bieden zich aan = aanbieders
Partijen op de arbeidsmarkt:
Overheid: grootste werkgever, biedt werkmogelijkheden, innen belastingen (belangrijke
inkomstenbron)
WG’s: loon uitbetalen, verenigen zich in vakverenigingen, willen zo veel mogelijk winst
WN’s: arbeid verrichten, verenigen zich in vakbonden, willen hun
koopkracht beschermen
WG’s en WN’s zijn verbonden via een arbeidsovereenkomst
Collectieve arbeidsovereenkomst (cao) = overeenkomst tussen vakverenigingen en
vakbonden
Gevaar: inflatie bedreigd de koopkracht van de WN & zorgt voor hogere loonkosten
voor de WG (hogere kosten en lagere opbrengsten = minder winst)
Wetten van vraag en aanbod:
Economisch goed: vraag naar arbeid stijgt -> lonen stijgen -> koopkracht stijgt -> …
Economisch slecht: vraag naar arbeid daalt -> lonen dalen -> koopkracht daalt -> …
Pagina 2 van 23
, 2.1 de vraag naar arbeid = afgeleide vraag
Effectieve vraag = vraag naar goederen en diensten
o beïnvloedt de afgeleide vraag
Afgeleide vraag = vraag naar arbeid
o afhankelijk van de effectieve vraag naar goederen
o België is zeer gericht naar het buitenland inzake de productie van goederen
Vertrouwen consument daalt effectieve vraag daalt minder consumeren productie daalt
minder arbeid nodig vraag naar arbeiders daalt werkloosheid stijgt
Effectieve vraag stijgt -> productie stijgt -> gebruik machines stijgt -> vraag naar arbeiders stijgt ->
werkloosheid daalt -> na verloop van tijd gebrek aan arbeid -> arbeiders eisen hogere lonen ->
loonkosten per WN stijgt
Welke factoren oefenen een invloed uit op de vraag naar arbeid?
1) De optimale arbeidsgrootte
Producent streeft naar winstmaximalisatie de gevraagde hoeveelheid arbeid wordt dus bepaald
door de optimale productiegrootte (MO = MK)
Winstmaximalisatie: wordt bepaald door marginale opbrengsten en kosten
Wat is de optimale arbeidsgrootte om de optimale winst te behalen?
Wanneer bereikt men een evenwicht tussen de marginale opbrengsten en de marginale
kosten?
Vb: een traiteur bezorgt warme maaltijden aan huis. De loonkosten hangen af van de maaltijden die
hij kan leveren. Onderstaande tabel geeft de evolutie van deze gegevens weer als de dagloonkost per
arbeider €62.5 bedragen en de ontvangst per maaltijd €6.25.
Loonkost = 62.5 = Marg. Loonkost
Ontvangst = 6.25 = Prijs (P)
Aantal arb. Aantal MP Tot. Loonkost TO = P x Q Marg. Loonkost MO = TO 2 – TO 1
maaltijden (grootste TO –
(Q) Kleine TO)
0 0 0 0
8 62.5 50
1 8 62.5 50 (8 x 6.25)
12 62.5 75
2 20 125 125
15 62.5 93.75
3 35 187.5 218.75
16 62.5 100
4 51 250 318.75
13 62.5 81.25
5 64 312.5 400
11 62.5 68.75
6 75 375 468.75
9 62.5 56.25
7 84 437.5 525
MP stijgt door betere arbeidsverdeling en specialisatie, MAAR daalt erna door inefficiëntie
(wet van toe- en afnemende meeropbrengsten)
Pagina 3 van 23