Week 8: Theorie over Visuele
beperkingen en doofblindheid
Inhoud
Week 8: College...................................................................................................... 2
Voorbeeldvragen – vragen.................................................................................. 2
Voorbeeldvragen – antwoorden...........................................................................3
Belangrijke begrippen......................................................................................... 4
Hoofdstuk 5: doof en slechthorendheid............................................................4
Hoofdstuk 6: blindheid en slechtziendheid.....................................................10
Verdiepend college............................................................................................ 20
Bartiméus....................................................................................................... 20
Visuele beperking........................................................................................... 21
Cerebrale visuele stoornis (CVI).....................................................................22
Diagnostiek.................................................................................................... 25
Begeleiding.................................................................................................... 26
Week 8: Theorie over Visuele beperkingen en doofblindheid (literatuur).............28
Hoofdstuk 5: 5.1. t/m 5.2............................................................................... 28
Beschrijving van de doelgroep.......................................................................28
Audiologische classificatie.............................................................................. 29
Orthopedagogische classificatie.....................................................................34
Hoofdstuk 6: 6.1. t/m 6.8............................................................................... 36
Classificatie en terminologie..........................................................................36
Prevalentie..................................................................................................... 40
Factoren die van invloed zijn op het visuele functioneren.............................41
Gedragssignalen van visuele beperkingen.....................................................44
Impact van blindheid op de ontwikkeling.......................................................46
Impact van congenitale doofblindheid op de ontwikkeling.............................54
Diagnostiek.................................................................................................... 56
1
, 2
Week 8: College
Voorbeeldvragen – vragen
1. Wat is een kenmerk van perceptieverlies?
A. Geluiden worden vervormd of helemaal niet waargenomen
B. De geluidssterkte voor alle frequenties wordt verzwakt doorgegeven
C. Vocht in de trommelholte of misvormde oorschelp
D. Beperking ter hoogte van het middenoor
2. De orthopedagogische classificatie verdeelt de populatie van dove en
slechthorende kinderen in 4 subgroepen. Welke subgroepen zijn dit?
A. Doof en slechthorend, prelingueaal en postlinguaal
B. Doof en niet-doof, prelingueaal en postlinguaal
C. Doof en slechthorend, prenataal en postnataal
D. Doof en niet doof, prenataal en postnataal
3. In welk ontwikkeling domein worden geen problemen gezien bij
kinderen die blind zijn?
A. Cognitie
B. Sociaal
C. Persoonlijk
D. Gedrag
4. Stel: je bent werkzaam als orthopedagoog en er wordt een zeer
slechtziend kind met een motorische beperking van 3 jaar aangemeld
voor diagnostisch onderzoek. Ouders en leerkracht maken zich
zorgen om de cognitieve en de sociaal-emotionele vaardigheden
maar ook over het taalbegrip en de taalproductie van het kind. Welk
instrument kan je het beste afnemen?
A. De intelligentietest voor visueel gehandicapte kinderen
B. Bayles scales of infant and toddler development – special needs edition -III
C. Reynell- Zinkin Ontwikkelingsschalen voor kinderen met een visuele
beperking
D. Child Guided strategies
5. Bij welk soort verlies hoort oorsuizen (tinnitus)?
A. Perceptieverlies
B. Geleidingsverlies
2
, 3
Voorbeeldvragen – antwoorden
1. Wat is een kenmerk van perceptieverlies?
A. Geluiden worden vervormd of helemaal niet waargenomen
B. De geluidssterkte voor alle frequenties wordt verzwakt doorgegeven
C. Vocht in de trommelholte of misvormde oorschelp
D. Beperking ter hoogte van het middenoor
(andere vormen zijn kenmerken van geleidingsverlies)
2. De orthopedagogische classificatie verdeelt de populatie van dove en
slechthorende kinderen in 4 subgroepen. Welke subgroepen zijn dit?
A. Doof en slechthorend, prelingueaal en postlinguaal
B. Doof en niet-doof, prelingueaal en postlinguaal
C. Doof en slechthorend, prenataal en postnataal
D. Doof en niet doof, prenataal en postnataal
3. In welk ontwikkeling domein worden geen problemen gezien bij
kinderen die blind zijn?
A. Cognitie
B. Sociaal
C. Persoonlijk
D. Gedrag
4. Stel: je bent werkzaam als orthopedagoog en er wordt een zeer
slechtziend kin met een motorische beperking van 3 jaar aangemeld
voor diagnostisch onderzoek. Ouders en leerkacht maken zich zorgen
om de cognitieve en de sociaal-emotionele vaardigeden maar ook
over het taalbegrip en de taalproductie van het kind. Welk
instrument kan je het beste afnemen?
A. De intelligentietest voor visueel gehandicapte kinderen
B. Bayles scales of infant and toddler development – special needs
edition -III
C. Reynell- Zinkin Ontwikkelingsschalen voor kinderen met een visuele
beperking
D. Child Guided strategies
5. Bij welk soort verlies hoort oorsuizen (tinnitus)?
A. Perceptieverlies
B. Geleidingsverlies
3
, 4
Belangrijke begrippen
Hoofdstuk 5: doof en slechthorendheid
Doof en slechthorendheid
= een van de meest voorkomende langdurige lichamelijke aandoeningen
Audiologische classificatie
Het vaststellen van gehoorverlies behoort tot het domein van de audiologie.
Audiologie
= die tak van de medische wetenschappen die zich bezighoudt met de studie
van het gehoor in de breedst mogelijke zin.
Een belangrijk aspect van de audiologie is het omzetten van subjectieve
vermoedens of klachten met betrekking tot het gehoor in meetbare en onderling
vergelijkbare grootheden, dus in getallen.
Aan de hand van audiologische metingen kunnen we een gehoorverlies
indelen volgens twee dimensies
1. De graad van het gehoorverlies
= een cijfermatige vastlegging van het verlies.
2. De aard van het gehoorverlies.
= gebaseerd op de plaats of lokalisatie van het gehoor- probleem in het
gehoororgaan.
4