1 Mondelinge taalvaardigheid
1.1.5 Sociale taalfuncties
Bij de sociale taalfuncties (hebben betrekking op de interactie tussen mensen) kan een
onderverdeling gemaakt worden in:
zelfhandhaving: zichzelf verdedigen of bezit beschermen (Die had ik!);
zelfsturing: eigen handelingen met woorden ordenen of plannen aankondigen (Dan ga ik
eerst naar de bakker en dan naar de supermarkt.);
sturing van anderen: beïnvloeden van gedrag van anderen (Zullen we gaan zwemmen?);
structurering van het gesprek (Mag ik even wat zeggen?).
De sociale taalfuncties verwijzen naar de communicatieve functie van taal.
1.1.6 Cognitieve taalfuncties
De spreker hanteert cognitieve functies van taal om te verwijzen naar betekenissen en concepten.
Via taal benoemt en ordent hij de werkelijkheid. Cognitieve taalfuncties kunnen op de volgende
manier gerangschikt worden op mate van complexiteit (Kuiken & Vermeer 2005):
rapporteren: verslag doen van iets wat in de werkelijkheid voorkomt. Hieronder vallen:
benoemen/etiketteren, beschrijven, vergelijken (Dit is een visje met een lange staart, die andere
is korter.);
redeneren: beschrijving waarin een extra denkstap wordt verwoord. Hieronder vallen:
chronologisch ordenen; concluderen; middel-doelrelatie of instrumentele relatie leggen;
oplossen van een probleem; oorzaak-gevolgrelatie leggen (Als we de deur van de koelkast
opendoen, gaat de cavia piepen, want dan wil hij ook eten.);
projecteren: verplaatsen in de gedachten en de gevoelens van iemand anders (Esra heeft geen
zin om te spelen. Ze is verdrietig want haar konijn is dood.)
De cognitieve taalfuncties verwijzen naar de conceptualiserende functie van taal.
1.2.1 Taalontwikkelende interactievaardigheden
Wanneer een leraar taalontwikkelende interactie tot stand wil brengen, dient hij de volgende drie
vaardigheden in te zetten:
Taalaanbod realiseren: de leraar zorgt met zijn eigen taalaanbod voor betrokkenheid van de
leerlingen (zijn taalgebruik is begrijpelijk, maar ook net iets boven het niveau van de
kinderen);
Taalproductie stimuleren of taalruimte scheppen: de leraar zorgt ervoor dat de leerlingen
voldoende gelegenheid tot spreken krijgen (zowel in beurtruimte als inbreng van
onderwerpen);
Feedback geven: de leraar schenkt in zijn reactie op leerlingen aandacht aan verbeteren
(bijvoorbeeld door middel van modeling of positief bevestigen).
Deze vaardigheden kunnen in alle mondelinge onderwijsactiviteiten worden ingezet bij allerlei
verschillende vakken.
1.2.3; 8.2.2 Vragen stellen
Je kunt vragen indelen naar hun (didactische) doel:
, Oplossingsgerichte vragen (Welke lessen wil jij dan hebben vandaag?)
Controlevragen (Kun je nog eens uitleggen hoe dat werkt?)
Reproducerende vragen (Wat is de hoofdstad van Spanje?)
Diagnosticerende vragen (Weet je nog wat hoofdsteden waren?)
Opiniërende of evaluatieve vragen (Wat vind jij daarvan?)
Je kunt vragen ook indelen naar hun vorm:
Gesloten vragen: ja/nee vragen en vragen waar maar één bepaald antwoord op mogelijk is
(Hoeveel is twee plus twee? Waar woon je?)
Open vragen: de leraar vraagt leerlingen zelf een antwoord te formuleren
De verschillende vragen doen een beroep op verschillende cognitieve taalfuncties. Bij het stellen van
vragen is het belangrijk aan te sluiten bij de taalvaardigheid en het cognitieve niveau van de
leerlingen
1.2.5 Groeperingsvormen mondelinge taalvaardigheid
Veelal zal het taalvaardigheidsniveau van leerlingen in een klas variëren, waarmee een keuze voor
een homogene of heterogene groepssamenstelling mogelijk wordt. Bij homogene groepen zullen de
leerlingen elkaar niet uitdagen op een hoger niveau te gaan communiceren. Bij heterogene groepen
moet een te groot verschil in taalvaardigheid worden vermeden.
1.3.1 Taalverwerving
Het verwerven van spraak en het verwerven van inzicht in het hanteren van grammaticale en
communicatieve regels. Bij taalverwerving onderscheiden we de spraakontwikkeling en de
taalontwikkeling. In het taalontwikkelingsproces leren kinderen de regels voor de taalinhoud
(semantisch aspect: betekenis), de taalvorm (fonologie: klanken, morfologie: woordbouw en
syntaxis: zinsbouw) en het taalgebruik (pragmatiek).
Creatieve constructietheorie (algemeen geaccepteerd): kinderen imiteren niet simpelweg, maar zijn
creatieve bouwers en beschikken over een taalleermechanisme. De ‘interactionele benadering’
voegt daar nog aan toe dat het taalaanbod van en de interactie met moedertaalsprekers een grote
rol speelt bij het leren van een taal.
1.3.2 Taalontwikkelingsfasen
In de moedertaalverwerving zijn de volgende fasen te onderscheiden:
Prelinguale of preverbale fase (0-1):
huilen (eerste 6 weken);
vocaliseren (6-20 weken);
vocaal spel (4-6 maanden);
brabbelfase (vanaf 7 maanden).
Linguale of talige fase:
vroeglinguale periode (1-2,5 jaar): eenwoordzin, tweewoordzin, meerwoordzin;
differentiatiefase (2,5-5 jaar): explosieve ontwikkeling waarin reeds verworven aspecten
worden uitgebouwd en verfijnd, en nieuwe aspecten aan bod komen;
voltooiingsfase (5 jaar en ouder): het kind bezit de bouwstenen, voor mondelinge
taalvaardigheid komen er geen nieuwe aspecten meer bij. De puntjes worden op de i gezet.
1.3.3 Tweedetaalverwerving
Simultane tweetaligheid: vóór het derde levensjaar worden twee talen aangeleerd.