eigen verantwoordelijkheid, zelfbeschikking en zeggenschap. Wij definiëren eigen kracht als:
Het vermogen van een individu zijn eigen leven (of situatie) optimaal vorm te geven en problemen op
te lossen of dragelijker te maken.
Empowerment is een proces van versterking waarbij individuen, organisaties en gemeenschappen
greep krijgen op de eigen situatie en hun omgeving en dit via het verwerven van controle, het
aanscherpen van kritisch bewustzijn en het stimuleren van participatie.
Civil society: de vrijwillige samenwerkende gemeenschap van burgers. Deze heeft betrekking op de
formele en informele verbindingen tussen burgers.
De pedagogische civil society is dat deel van de samenleving waar burgers in vrijwillige verbanden
verantwoordelijkheid nemen voor een pedagogisch klimaat waarin het goed opvoeden en opgroeien
is, in samenwerking met of juist als tegenkracht tot overheden, bedrijven en andere civil society
organisaties. Goede-ouderervaringen, metapositie, taakverdeling en het solidaire dorp zijn vier
buffers die beschermen tegen de impact van klassieke risicofactoren zoals bv armoede en
echtscheiding.
In een pedagogische civil society moeten jongeren zelf via actief burgerschap bijdragen aan deze
pedagogische civil society. De informatie over (de mate van) maatschappelijke participatie van
jongeren is onvolledig en fragmentarisch. Als het gaat om vrijwilligerswerk in de sport en het
kerkelijk en politiek verenigingsleven scoren de jongeren met 40% hoger dan andere groepen. Er zijn
vier criteria te onderscheiden waaraan vrijwillige participatie van jongeren moet voldoen:
1. Het moet plezierig zijn
2. Het moet de leefwereld verruimen
3. Het moet de competenties vergroten
4. Het moet als resultaat hebben dat jongeren zich ontwikkelen en groeien naar ‘echte’
functies.
Best persons zijn mensen die er in slagen de kloof tussen de leef- en systeemwereld te dichten. Zij
hebben het vermogen verbindingen tussen beide werelden te leggen en zich soepel te bewegen in de
netwerken van beide werelden. Zij blijken twee belangrijke kwaliteiten te hebben waarom deze
mensen zo goed zijn: ten eerste ondernemerschap en bevlogenheid, ten tweede betrokkenheid en
empathie.
Putnam maakt onderscheid tussen twee vormen van sociaal kapitaal. Bij ‘bonding’ gaat het om
relaties binnen de eigen groep, bij ‘bridging’ om relaties met groepen die anders zijn. Beide vormen
kunnen elkaar versterken en zijn nodig voor sociale cohesie.
Enkele belangrijke aandachtpunten bij samenwerking (Ponzoni):
• Een gemeenschappelijke visie op de inhoud en richting van samenwerking is niet
vanzelfsprekend, hierin moet geïnvesteerd worden, te beginnen met het expliciteren van
wederzijdse belangen en verwachtingen.
• De samenwerking zou zich niet moeten beperken tot het uitvoerende niveau van enkele
individuele professionals. draagvlak binnen de professionele organisatie en de bereidheid om
indien nodig (beleids)wijzigingen door te voeren dragen bij aan het realiseren van een
gemeenschappelijke visie.