Begrippenlijst deel 1
1. Topografie:
○ De waarneembare eigenschappen van gedrag. Het beschrijft in
concrete termen hoe je kunt weten dat het gedrag heeft
plaatsgevonden.
2. Locus:
○ De plaats en tijd waar het gedrag wordt waargenomen, wat de context
biedt voor observatie.
3. Frequentie:
○ Hoe vaak een gedrag voorkomt of hoeveel voorvallen er zijn
waargenomen in een specifieke periode.
4. Duur:
○ De totale hoeveelheid tijd dat een bepaald gedrag duurt, of de
gemiddelde duur van het gedrag. Dit kan ook de tijd omvatten tussen
een trigger en het gedrag, genaamd 'latency'.
5. Gedragsmomentum:
○ Het creëren van positieve interacties om gedrag te beïnvloeden en
problemen te voorkomen door strategieën zoals precorrectie en keuzes
aanbieden.
6. Pre-teaching:
○ Vooraf instructies geven om gewenst gedrag te bevorderen.
7. Cultureel Responsief Klassenmanagement (CRCM):
○ Managementstrategieën die rekening houden met culturele
achtergronden van studenten om een inclusieve en rechtvaardige
leeromgeving te creëren.
8. Interpersoonlijke Cirkel:
○ Een model voor het begrijpen van leraar-leerling interacties gebaseerd
op de dimensies gemeenschap (communion) en agentschap (agency).
9. Complementariteit:
○ Het idee dat leraren en leerlingen complementair gedrag vertonen, wat
natuurlijke versterking en antecedente interventies mogelijk maakt.
10. Antecedente Interventies:
○ Proactieve strategieën die worden gebruikt om gewenst gedrag te
stimuleren door het vooraf geven van instructies of creëren van
gedragsmomentum.
11. Sociale Cohesie:
○ Verbetering van de interacties tussen leraar en leerlingen, bevorderen
van sociale relaties, en stimuleren van een gevoel van erbij horen in de
klas.
12. Bias in Beoordeling:
○ Leraren kunnen gedrag beoordelen op basis van impliciete biases,
zoals het zoeken naar bevestigende informatie die hun autoriteit
bevestigt.
13. Perspectiefnemen:
○ Het vermogen en de inspanning om gedachten, emoties, gevoelens,
intenties en motieven van een ander te begrijpen, met componenten
zoals kijken vanuit het perspectief van de leerling en alternatieve
verklaringen zoeken.
1. Topografie:
○ De waarneembare eigenschappen van gedrag. Het beschrijft in
concrete termen hoe je kunt weten dat het gedrag heeft
plaatsgevonden.
2. Locus:
○ De plaats en tijd waar het gedrag wordt waargenomen, wat de context
biedt voor observatie.
3. Frequentie:
○ Hoe vaak een gedrag voorkomt of hoeveel voorvallen er zijn
waargenomen in een specifieke periode.
4. Duur:
○ De totale hoeveelheid tijd dat een bepaald gedrag duurt, of de
gemiddelde duur van het gedrag. Dit kan ook de tijd omvatten tussen
een trigger en het gedrag, genaamd 'latency'.
5. Gedragsmomentum:
○ Het creëren van positieve interacties om gedrag te beïnvloeden en
problemen te voorkomen door strategieën zoals precorrectie en keuzes
aanbieden.
6. Pre-teaching:
○ Vooraf instructies geven om gewenst gedrag te bevorderen.
7. Cultureel Responsief Klassenmanagement (CRCM):
○ Managementstrategieën die rekening houden met culturele
achtergronden van studenten om een inclusieve en rechtvaardige
leeromgeving te creëren.
8. Interpersoonlijke Cirkel:
○ Een model voor het begrijpen van leraar-leerling interacties gebaseerd
op de dimensies gemeenschap (communion) en agentschap (agency).
9. Complementariteit:
○ Het idee dat leraren en leerlingen complementair gedrag vertonen, wat
natuurlijke versterking en antecedente interventies mogelijk maakt.
10. Antecedente Interventies:
○ Proactieve strategieën die worden gebruikt om gewenst gedrag te
stimuleren door het vooraf geven van instructies of creëren van
gedragsmomentum.
11. Sociale Cohesie:
○ Verbetering van de interacties tussen leraar en leerlingen, bevorderen
van sociale relaties, en stimuleren van een gevoel van erbij horen in de
klas.
12. Bias in Beoordeling:
○ Leraren kunnen gedrag beoordelen op basis van impliciete biases,
zoals het zoeken naar bevestigende informatie die hun autoriteit
bevestigt.
13. Perspectiefnemen:
○ Het vermogen en de inspanning om gedachten, emoties, gevoelens,
intenties en motieven van een ander te begrijpen, met componenten
zoals kijken vanuit het perspectief van de leerling en alternatieve
verklaringen zoeken.