Begrippenlijst deel 2
1. Agency:
○ Definitie: Individuatie, dominantie en streven naar controle in interacties.
○ Toepassing: Dit begrip wordt gebruikt om de mate van controle en invloed
die een individu heeft binnen een interactie te beschrijven.
2. Communion:
○ Definitie: Sociale verbinding, vriendelijkheid en streven naar affiliatie in
interacties.
○ Toepassing: Dit begrip beschrijft hoe verbonden en vriendelijk een individu is
in interacties met anderen.
3. Interpersonal Circle (IPC):
○ Definitie: Cirkelstructuur die interpersoonlijke gedragingen ordent op basis
van agency en communion.
○ Toepassing: Gebruikt om verschillende interpersoonlijke gedragingen te
categoriseren en hun relaties te analyseren.
4. Continuous Assessment of Interpersonal Dynamics (CAID):
○ Definitie: Observatiemethode die gedragingen continu codeert om
interactiedynamieken te kwantificeren.
○ Toepassing: Een methode om in real-time gedragingen te observeren en te
analyseren om dynamieken binnen interacties beter te begrijpen.
5. State Space Grids (SSGs):
○ Definitie: Visualisatiehulpmiddel om gedragspatronen van twee
interactiepartijen te analyseren.
○ Toepassing: Gebruikt om complexe interactiepatronen tussen twee partijen
visueel weer te geven en te analyseren.
6. Teacher-Student Relationships (TSRs):
○ Definitie: De kwaliteit van de relatie tussen leraar en leerling, beïnvloed door
hun interacties.
○ Toepassing: Dit concept wordt gebruikt om de invloed van de leraar-leerling
relatie op het leerklimaat en de leerprestaties te beschrijven.
7. Sociale dynamische systeemtheorie:
○ Definitie: Theorie die helpt begrijpen hoe gedragingen bijdragen aan
interacties en relaties.
○ Toepassing: Gebruikt om te analyseren hoe individuele gedragingen zich
ontwikkelen en hoe deze de bredere sociale interacties beïnvloeden.
8. Etnocentrisme:
○ Definitie: Het beoordelen van een andere cultuur uitsluitend op basis van de
normen en waarden van de eigen cultuur.
○ Toepassing: Dit begrip wordt gebruikt om culturele vooroordelen en de
impact daarvan op interpersoonlijke en onderwijskundige interacties te
begrijpen.
9. Cultureel Responsief Klasmanagement (CRCM):
○ Definitie: Een benadering van klasmanagement die rekening houdt met de
culturele achtergronden en behoeften van studenten.
○ Toepassing: Gebruikt om onderwijspraktijken te verbeteren door de culturele
context van studenten te integreren in het klasmanagement.
10. Multiculturele Competentie:
○ Definitie: Het vermogen om effectief te communiceren en te werken met
mensen uit verschillende culturele achtergronden.
○ Toepassing: Gebruikt om de vaardigheden te beschrijven die nodig zijn voor
effectieve interculturele communicatie en samenwerking.
11. Verbaal Sparren:
1. Agency:
○ Definitie: Individuatie, dominantie en streven naar controle in interacties.
○ Toepassing: Dit begrip wordt gebruikt om de mate van controle en invloed
die een individu heeft binnen een interactie te beschrijven.
2. Communion:
○ Definitie: Sociale verbinding, vriendelijkheid en streven naar affiliatie in
interacties.
○ Toepassing: Dit begrip beschrijft hoe verbonden en vriendelijk een individu is
in interacties met anderen.
3. Interpersonal Circle (IPC):
○ Definitie: Cirkelstructuur die interpersoonlijke gedragingen ordent op basis
van agency en communion.
○ Toepassing: Gebruikt om verschillende interpersoonlijke gedragingen te
categoriseren en hun relaties te analyseren.
4. Continuous Assessment of Interpersonal Dynamics (CAID):
○ Definitie: Observatiemethode die gedragingen continu codeert om
interactiedynamieken te kwantificeren.
○ Toepassing: Een methode om in real-time gedragingen te observeren en te
analyseren om dynamieken binnen interacties beter te begrijpen.
5. State Space Grids (SSGs):
○ Definitie: Visualisatiehulpmiddel om gedragspatronen van twee
interactiepartijen te analyseren.
○ Toepassing: Gebruikt om complexe interactiepatronen tussen twee partijen
visueel weer te geven en te analyseren.
6. Teacher-Student Relationships (TSRs):
○ Definitie: De kwaliteit van de relatie tussen leraar en leerling, beïnvloed door
hun interacties.
○ Toepassing: Dit concept wordt gebruikt om de invloed van de leraar-leerling
relatie op het leerklimaat en de leerprestaties te beschrijven.
7. Sociale dynamische systeemtheorie:
○ Definitie: Theorie die helpt begrijpen hoe gedragingen bijdragen aan
interacties en relaties.
○ Toepassing: Gebruikt om te analyseren hoe individuele gedragingen zich
ontwikkelen en hoe deze de bredere sociale interacties beïnvloeden.
8. Etnocentrisme:
○ Definitie: Het beoordelen van een andere cultuur uitsluitend op basis van de
normen en waarden van de eigen cultuur.
○ Toepassing: Dit begrip wordt gebruikt om culturele vooroordelen en de
impact daarvan op interpersoonlijke en onderwijskundige interacties te
begrijpen.
9. Cultureel Responsief Klasmanagement (CRCM):
○ Definitie: Een benadering van klasmanagement die rekening houdt met de
culturele achtergronden en behoeften van studenten.
○ Toepassing: Gebruikt om onderwijspraktijken te verbeteren door de culturele
context van studenten te integreren in het klasmanagement.
10. Multiculturele Competentie:
○ Definitie: Het vermogen om effectief te communiceren en te werken met
mensen uit verschillende culturele achtergronden.
○ Toepassing: Gebruikt om de vaardigheden te beschrijven die nodig zijn voor
effectieve interculturele communicatie en samenwerking.
11. Verbaal Sparren: