1. Wat denk je dat filosofie inhoudt? Geef een definitie aan de hand van het hoorcollege van René
ten Bos, een woordenboek, een encyclopedie of een andere betrouwbare bron.
Filosofie is de wetenschap van de begrippen. Het is een opvatting als basis van alle andere
wetenschappen dus een wijsbegeerte. Ook wel een denkwijze of opvatting (Van Dale, 2019).
2. Probeer je een voorstelling te maken van jouw toekomstige werkveld. In welk(e)
beroep(sgroep) denk je na je studie terecht te komen?
Ik doe naast Bestuurskunde ook Psychologie, dus ik hoop dat ik daar een combinatie in kan vinden.
Bijv. gedragsbeïnvloeden bij een publieke organisatie om maatschappelijke vraagstukken op te
lossen.
3. Wat zou je als managementwetenschapper kunnen leren van filosofie?
Op verschillende manieren naar een probleem kijken, vanuit verschillende filosofische perspectieven.
Ethiek meenemen.
Begripsvragen en tekstverklaring:
4. De volgende vragen hebben betrekking op de tekst: Plato’s allegorie van de grot.
a. In het begin van de tekst geeft Plato aan waarover de daarop volgende tekst gaat.
Wat is het onderwerp van de tekst?
Het onderwerp van de tekst is dat de staat de burgers bepaalde denkbeelden aanbrengt, waardoor
ze gevangen zitten. Plato’s allegorie van de grot houdt in dat Plato een beeld schetst van wanneer
gevangen die vastzitten in een grot het zonlicht eenmaal gezien hebben, ze nooit meer terug willen.
Met deze allegorie verwijst Plato naar de staat, die volgens hem de mensen in een grot houdt door
ze bepaalde ideeën aan te praten. Als de mensen eenmaal buiten deze ideeën treden, en zelf gaan
nadenken, zullen ze zich tegen de staat keren.
Opvoeding
Onderwijs
Kennis
Aanleg vs. Ontwikkeling
b. Probeer je een voorstelling te maken van de allegorie waarmee Plato zijn tekst
opent. Is het verhaal over de grot een passende beeldspraak voor dit onderwerp?
Ja, Plato beschrijft gevangenen in een grot en die zien het zonlicht niet maar alleen schaduwen die
erdoor ontstaan. De mens is van nature goed maar wordt slecht gemaakt door de staat en
samenleving en het hebben van bezittingen. Als de gevangen eenmaal uit de grot zijn en het zonlicht
hebben gezien willen ze niet meer terug naar de grot, hiermee bedoelt Plato dat de burgers op dat
moment los zijn gebroken van de staat en de schijn van de werkelijkheid, en zelf nadenken. Ze zien
dan de ‘echte’ werkelijkheid en niet een afspiegeling ervan.
Wordt ons dagelijks leven bepaald door bv. nieuwszenders en wat wij te horen krijgen? Passende
beeldspraak.
c. Gaat de vergelijking tussen geestelijke vorming en lichamelijke oefeningen op?
Plato geeft aan dat het verschil tussen beiden vooral komt omdat de lichamelijke oefeningen gepaard
gaan met lichamelijk verval terwijl de geestelijke vorming niet gepaard gaat met verval van de mens.
Plato geeft aan dat kennis alleen kan groeien, en dus niet kan afbreken. Plato merkt wel op dat er
door deze geestelijke vorming wel een kloof ontstaat tussen de “ontwikkelden” en de “minder
ontwikkelden”.
In de werkelijkheid gaan mensen geestelijk na een tijdje ook achteruit. De gekristalliseerde kennis
blijft, maar de fluid intelligence (werkgeheugen) gaat juist wel achteruit.