Kennisbasistoets Nederlands
PABO
Domein 1: Mondelinge taalvaardigheid (13 vragen)
1.1.1 Luisterdoelen
De luisteraar kan bij het luisteren verschillende doelen hanteren. Om deze doelen te realiseren, kies
je als luisteraar, bewust of onbewust, een luisterstrategie:
Globaal luisteren (de grote lijn volgen)
Intensief luisteren (details ook belangrijk vinden),
Gericht luisteren (specifieke informatie oppikken)
Kritisch luisteren (mening vormen)
1.1.3 Spreekdoelen
amuseren (bijvoorbeeld vertellen van een mop);
informeren (bijvoorbeeld vertellen hoe laat het is);
instrueren (bijvoorbeeld de weg wijzen);
overtuigen (bijvoorbeeld zeggen dat je een boek echt moet lezen en vertellen hoe goed het
is).
Spreekstrategieën: het kiezen van een vorm (bv. een verhaal, een opsomming van feiten, een
indringend voorbeeld) of het kiezen van type taalgebruik (bv. eenvoudige dagelijkse taal of juist
vakjargon).
1.1.5 Sociale taalfuncties
Bij de sociale taalfuncties (hebben betrekking op de interactie tussen mensen) kan een
onderverdeling gemaakt worden in:
zelfhandhaving: zichzelf verdedigen of bezit beschermen (Die had ik!);
zelfsturing: eigen handelingen met woorden ordenen of plannen aankondigen (Dan ga ik
eerst naar de bakker en dan naar de supermarkt.);
sturing van anderen: beïnvloeden van gedrag van anderen (Zullen we gaan zwemmen?);
structurering van het gesprek (Mag ik even wat zeggen?).
De sociale taalfuncties verwijzen naar de communicatieve functie van taal.
1.1.6 Cognitieve taalfuncties
De spreker hanteert cognitieve functies van taal om te verwijzen naar betekenissen en concepten.
Via taal benoemt en ordent hij de werkelijkheid. Cognitieve taalfuncties kunnen op de volgende
manier gerangschikt worden op mate van complexiteit (Kuiken & Vermeer 2005):
rapporteren: verslag doen van iets wat in de werkelijkheid voorkomt. Hieronder vallen:
benoemen/etiketteren, beschrijven, vergelijken (Dit is een visje met een lange staart, die andere
is korter.);
redeneren: beschrijving waarin een extra denkstap wordt verwoord. Hieronder vallen:
chronologisch ordenen; concluderen; middel-doelrelatie of instrumentele relatie leggen;