Hoorcollege 1 Logopedische therapie bij slechthorendheid
Geleidingsverlies: hier zit het probleem in het middenoor, bijv. middenoorontsteking, iets mis
met de gehoorbeentjes.
Perceptief verlies: beschadiging in het slakkenhuis
We mogen pas van gehoorverlies spreken als de Fletcher Index 35dB is. Bij bijvoorbeeld een
Fletcher Index van 25 dB mag je het geen slechthorendheid noemen, vaak krijgen kinderen
wel een gehoorapparaat.
Vanaf 90 dB spreek je eigenlijk al van de term: audiometrisch doof.
Spraakbenaam:
Je hebt verschillende spraakklanken, verschillende toonhoogtes en ook qua luidheid. Die
spraakbenaam kun je over het audiogram heen leggen en dan kun je zien of een kind
bepaalde tonen wel kan horen of niet vaak de stemloze klanken (s, t, k)
DCD= een speciaal afgesteld gehoorapparaat, sommige kinderen kunnen geen
achterliggende hoortoestellen dragen en dan is dit een oplossing, doordat ze geen
gehoorgang hebben, het oor is niet goed aangelegd, middenoorproblemen, iemand die
continu een loopoor heeft, etc.
Wat is het effect van een hoortoestel?
Bij een geleidingsverlies:
Op het moment dat bijv. een leerling een geleidingsverlies heeft hoort hij/zij alles zachter. Op
het moment dat het kind een hoorapparaat krijgt (CI, hoorhanger, DCD), wordt het geluid
harder gemaakt.
Bij een perceptief verlies:
Op het moment dat bijv. een leerling een perceptief verlies heeft, hoort hij/zij alles zachter,
maar er treedt ook vervorming op. Als je dan dus een hoorapparaat hebt, wordt het harder
gemaakt maar je ziet ook dat er gaten in vallen. Je gaat zelf invullen wat er in die gaten valt.
Ze verstaan het net niet helemaal. Dit is erg vermoeiend. Je hebt hiervoor een grote
woordenschat nodig.
Voorbeelden:
Tommie zet de oel voor de ast = Tommie zet de stoel voor de kast.
Een gadeel met bruine oren = een kasteel met bruine torens.
Als de les dan doorgaat, is het kind nog aan het puzzelen wat de docent bijvoorbeeld zegt en
mist vervolgens andere lesstof.
Belangrijk: het ruisniveau hierbij is laag. Ramen en deuren dicht bij lawaai op de gang
is belangrijk. Ook belangrijk dat stoelen, tafels en vloeren geluid absorberen.
Beurtgedrag
Duidelijk aan de kinderen laten merken wie op dat moment de beurt heeft.
Goede verlichting
Zodat het mondbeeld zichtbaar is.
Ruisniveau in de klas
65 dB tijdens de lessen. Bij kleuters is het nog wat harder 75 dB.
Wanneer je een vlak gehoorverlies hebt, hoor je niet meer wat er in de klas allemaal gezegd
wordt, je hoort dan een vervelende ruis (het gevoel dat je onder water zit). Met een
gehoorapparaat wordt het geluid versterkt. Ze kunnen de omgevingsgeluiden niet wegfilteren
Geleidingsverlies: hier zit het probleem in het middenoor, bijv. middenoorontsteking, iets mis
met de gehoorbeentjes.
Perceptief verlies: beschadiging in het slakkenhuis
We mogen pas van gehoorverlies spreken als de Fletcher Index 35dB is. Bij bijvoorbeeld een
Fletcher Index van 25 dB mag je het geen slechthorendheid noemen, vaak krijgen kinderen
wel een gehoorapparaat.
Vanaf 90 dB spreek je eigenlijk al van de term: audiometrisch doof.
Spraakbenaam:
Je hebt verschillende spraakklanken, verschillende toonhoogtes en ook qua luidheid. Die
spraakbenaam kun je over het audiogram heen leggen en dan kun je zien of een kind
bepaalde tonen wel kan horen of niet vaak de stemloze klanken (s, t, k)
DCD= een speciaal afgesteld gehoorapparaat, sommige kinderen kunnen geen
achterliggende hoortoestellen dragen en dan is dit een oplossing, doordat ze geen
gehoorgang hebben, het oor is niet goed aangelegd, middenoorproblemen, iemand die
continu een loopoor heeft, etc.
Wat is het effect van een hoortoestel?
Bij een geleidingsverlies:
Op het moment dat bijv. een leerling een geleidingsverlies heeft hoort hij/zij alles zachter. Op
het moment dat het kind een hoorapparaat krijgt (CI, hoorhanger, DCD), wordt het geluid
harder gemaakt.
Bij een perceptief verlies:
Op het moment dat bijv. een leerling een perceptief verlies heeft, hoort hij/zij alles zachter,
maar er treedt ook vervorming op. Als je dan dus een hoorapparaat hebt, wordt het harder
gemaakt maar je ziet ook dat er gaten in vallen. Je gaat zelf invullen wat er in die gaten valt.
Ze verstaan het net niet helemaal. Dit is erg vermoeiend. Je hebt hiervoor een grote
woordenschat nodig.
Voorbeelden:
Tommie zet de oel voor de ast = Tommie zet de stoel voor de kast.
Een gadeel met bruine oren = een kasteel met bruine torens.
Als de les dan doorgaat, is het kind nog aan het puzzelen wat de docent bijvoorbeeld zegt en
mist vervolgens andere lesstof.
Belangrijk: het ruisniveau hierbij is laag. Ramen en deuren dicht bij lawaai op de gang
is belangrijk. Ook belangrijk dat stoelen, tafels en vloeren geluid absorberen.
Beurtgedrag
Duidelijk aan de kinderen laten merken wie op dat moment de beurt heeft.
Goede verlichting
Zodat het mondbeeld zichtbaar is.
Ruisniveau in de klas
65 dB tijdens de lessen. Bij kleuters is het nog wat harder 75 dB.
Wanneer je een vlak gehoorverlies hebt, hoor je niet meer wat er in de klas allemaal gezegd
wordt, je hoort dan een vervelende ruis (het gevoel dat je onder water zit). Met een
gehoorapparaat wordt het geluid versterkt. Ze kunnen de omgevingsgeluiden niet wegfilteren