de Braziliaanse Bororo’s.1 Von den Steinen interpreteerde hun uitspraak "wij zijn rode
papegaaien" letterlijk, terwijl latere auteurs benadrukten dat deze metaforisch bedoeld was. 2
Dit roept de vraag op hoe we dergelijke uitspraken moeten interpreteren.3 De kern van deze
exegese is de zoektocht naar waarheid; het is empirisch onlogisch om aan te nemen dat een
mens letterlijk een rode papegaai is. Dit leidt ons tot een fundamenteel punt over de rol van
methodologie in de (geestes)wetenschappen.4 Bij Von den Steinen was het gebrek aan begrip
van de Bororo taal hetgeen wat zijn methodologische aanpak ondermijnde, wat zijn bevinding
in twijfel trekt.5
Mijn evaluatieverslag richt zich echter op een onderzoek van De Bruin-Wassinkmaat
en collega’s, die pleiten voor het aanmoedigen van religieuze identiteitsverkenning tijdens de
jeugd, specifiek onder strikt gereformeerde christenen.6 Deze aanbeveling contrasteert met de
normen van deze denominatie7 Een zorgvuldige methodologische evaluatie is daarom
essentieel om de betrouwbaarheid van de resultaten te waarborgen.
Het onderzoek bouwt voort op eerdere bevindingen die de fase van jongvolwassenheid
als belangrijk markeren voor identiteitsontwikkeling.8 Er is echter weinig bekend over hoe
strikt gereformeerde jongvolwassenen hun religieuze identiteit verkennen en ervaren. 9 Dit
onderzoek vult deze kennislacune door deze specifieke groep te onderzoeken, welke tot nu toe
onderbelicht is gebleven in onderzoek. De onderzoeksvraag luidt: “hoe verkennen strikt
gereformeerd opgevoede jongvolwassenen in Nederland hun religieuze identiteiten, en hoe
ervaren zij die verkenning”.10 Het onderzoek, wat deel uitmaakt van een groter onderzoek,
verrijkt de religiewetenschappen door de invloed van contextuele factoren op religieuze
identiteitsontwikkeling te belichten en verduidelijkt welke religieuze praktijken individuen
beïnvloeden.
Ter beantwoording van de onderzoeksvraag wordt gesteund op eerdere empirische
studies, die psychologisch en sociologisch van aard lijken. Het theoretisch kader wordt subtiel
in de tekst verworven, zonder er een apart paragraaf aan te wijden. Wanneer er terminologie
wordt gebruikt, wordt dat kort maar effectief uitgelegd voor de lezer. Zoals wat betreft de
1
Smith 1972, p. 392.
2
Smith 1972, p. 408-411.
3
Smith 1972, p. 412.
4
Stolker 2003, p. 769-770.
5
Smith 1972, p. 404
6
De Bruin-Wassinkmaat e.a. 2021, p. 193-210.
7
De Bruin-Wassinkmaat e.a. 2021, p. 199.
8
De Bruin-Wassinkmaat e.a. 2021, p. 193.
9
De Bruin-Wassinkmaat e.a. 2021, p. 193-194.
10
De Bruin-Wassinkmaat e.a. 2021, p. 194.