Rechtstoepassing:
feit past onder rechtsregel, wordt ‘mechanisch’ toegepast
een algemene regel (major)
een feit (minor)
conclusie
= syllogisme:
Logische redeneervorm. Een syllogisme bestaat uit een minor (een feit), major (een
algemene regel) en een conclusie.
Uitgangspunt:
- al het recht staat in de wet (legisme)
- het recht is duidelijk/volledig
- recht kan zonder interpretatie worden toegepast op casus (feiten)
- Realiteit?
Rechtsvinding:
de rechtsregel moet worden uitgelegd alvorens te worden toegepast
Als er sprake is van een onduidelijke wetsbepaling dan zal de rechter interpreteren.
Als woorden geïnterpreteerd moeten worden spreken wij niet langer over rechtstoepassing,
maar over rechtsvinding.
Uitgangspunt:
- niet al het recht ligt in de wet
- recht is niet duidelijk/volledig
- recht moet worden geïnterpreteerd om te kunnen worden toegepast op casus
- Realiteit!
Rechtsvorming:
er is geen rechtsregel, de rechter vormt nieuw recht
Van rechtsvorming is sprake als het recht nog moet worden gemaakt.
Voorbeeld: Lindebaum/Cohen-arrest.
Voorbeeld: art 1054 lid 3 Rv
De betekenis van een rechterlijke uitspraak strekt verder dan het geschil dat ermee beslecht
wordt.
Uitgangspunt:
- Niet al het recht ligt in de wet
- Recht is niet volledig (‘leemte’)
- Geen interpretatie mogelijk; recht is er immers niet, maar is wel noodzakelijk
- Realiteit (soms). Wenselijk?
Redeneervormen
Interpretatiemethoden ≠ redeneervormen.
Hierbij gaat het er om dat de wet geen oplossing biedt omdat er geen regel voor bestaat.
Redeneervormen:
- Analogie
- A-contrario
Redenering naar analogie = vorm van redeneren waarbij een regel in een vergelijkbaar, maar
niet geregeld geval wordt gehanteerd
Feit A valt onder het toepassingsbereik van wetsartikel X, feit B is vergelijkbaar met feit A, en
daarom valt feit B ook onder het toepassingsbereik van wetsartikel X.