begeleiding
Hoorcollege 2
Week 1 2
Week 2 2
Week 3 4
Week 4 7
Week 5 9
Literatuur 12
Week 1 12
Week 2 14
Week 3 15
Week 4 16
Week 5 25
Kennisclips 25
Week 1 25
Week 2 27
Week 3 31
Week 4 33
Week 5 36
Aantekingen werkgroepen 39
Week 1 39
Week 2 40
Week 3 40
1
,Hoorcollege
Week 1
Grondwet: iedereen mag een school oprichten, eerder moest je bewijzen dat ouders jouw
steunde
Overheid mag niet bemoeien over hoe je onderwijs geeft, maar wel over wat je precies moet
weten uiteindelijk. En mag kijken naar kwaliteit
Klarus & Wardekker
- Waar draait pedagogiek om?
- klassenmanagement
- doel: niet enkel taak als leerfabriek… maar de cultuur
Pedagogiek steeds minder een geesteswetenschappen
Biesta
onderwijs 3 functies
1. kwalificatie: onderwijs om jongeren ergens voor te kwalificeren (vooral mbo
duidelijk)
2. socialisatie: leren op bepaalde manier te gedragen, aanpassen aan sociale normen
3. persoonsvorming: bijdrage aan zelfstandigheid, de uniciteit van een persoon
Persoonsvorming is niet:
- bepalen als school wat er moet gebeuren (je moet de leerling juist zijn/haar weg laten
vormen)
- kneden van persoonlijkheid
- Bildung
Kritiek persoonsvorming → niet tentamen
- Geen curriculum
- gebeurt vanzelf, anders zou iedereen zonder school geen persoonlijkheid
hebben
- Kan het niet meten
- weet dus nooit of je het nu persoonsvormt of niet
- Moreel geladen
- puur onbevooroordeeld keuzevrijheid geven gaat niet
Week 2
Van oers directe instructiemodel
1. onderwijs moet doelgericht zijn
2. onderwijs moet effectief zijn
3. onderwijs moet evidence-based zijn
2
,deze 3 criteria hebben geleid tot directe instructie model
Samenleving is veranderd door beschikbaarheid nieuwe technologieën
→ verschuiving nodig naar ontwikkeling van vaardigheden om benodigde kennis te vinden
en te beoordelen
- sociale omgang
- kritisch leren nadenken
- overbrengen normen en waarden
→ voor deze 3 punten is het model minder handig
oplossing: dialoog,
Nadruk op maatschappelijke betekenis van het onderwijsaanbod en weinig aandacht voor
persoonlijke betekenis
→ vervreemding
2 benadering zijn ontstaan uit kritiek op verschoolsing bij jonge kinderen:
1. spelend leren
leertaken in vorm van spelletje
2. lerend spelen
binnen spel worden leermomenten gecreeërd
(zie kennisclips)
Speltheorie (van Oers):
1. Regels
- sociale regels (hoe gaan we met elkaar om?)
- technische regels (hoe gebruik je de materialen?)
- conceptuele regels (wat verstaan we onder…?)
- strategische regels (hoe verloopt het spel?)
2. Vrijheidsgraden
- keuze in vorm en moment van handelen
- keuze voor instrumenten
- keuze in doelen
- keuze in mater van aan de regels houden
→ doen alsof
3. Betrokkenheid
- deelname aan spel is vrijwillig (niet vrijwillig= geen spel)
- hangt samen met interesse in activiteit
→ spelpraktijk probeert de betrokkenheid van spelers te maximaliseren
Van Oers
Spel is een regelgeleide culturele activiteit waaraan kinderen vanuit een hoge betrokkenheid
deelnemen en het recht krijgen een door de cultuur geaccepteerde mate van vrijheid te
benutten bij de uitvoering van die activiteit
3
, - Om te spreken van spel zijn de 3 kenmerken nodig
- Deelname van volwassenen aan spel is niet uitgesloten
- volwassenen kan wel info aanreiken maar de vraag hiernaar moet vanuit kind
komen
Ontwikkelingsgericht onderwijs (OGO)
- toepassing speltheorie
Rol leerkracht
- kinderen eerst op eigen manier iets doen voordat leerkracht kennis introduceert → bij
vastlopen kind
- geen toetsing maar ontwikkelingsverhaal
- Onderzoek doen als spelactiviteit → leerlingen nemen de rol van onderzoeker aan
- Leerlingen stellen vragen, gaan experimenteren en komen op die manier tot
antwoorden
- Regels, vrijheidsgraden en betrokkenheid
De centrale activiteit in de bovenbouw binnen Ontwikkelingsgericht Onderwijs
Week 3
Eigentijds onderwijs
Eigentijdse verhaal: de plaats waar ieders talenten ontwikkeld kunnen worden tot
competenties en uiteindelijk tot kwalificaties
→ verteld in naam van de gelijkheid om uit te leggen waar het in het onderwijs om gaat
1. productieve tijd
2. inzetbaarheid
3. de leerkracht als deskundige
onderwijstijd= productieve tijd
Veranderende kijk onderwijs
vanaf jaren 60 probeerden juffen en meesters dichterbij kinderen te staan
leren kind, leuk hebben, vrolijk en fijne plek
zelfstandig leren nu erg belangrijk, niet meer uren luisteren
Van homogeen aanbod naar heterogeen onderwijsaanbod
Aanbod gelijk voor iedereen → aanbod die persoonlijk is voor ieder kind
3 uitgangspunten:
1. Leerlingen hebben eigen interesses en individuele talenten
2. Een homogeen onderwijsaanbod resulteert in ongelijke (‘oneerlijke’) kansen om deze
interesses en talenten teontwikkelen
3. Een flexibel, gedifferentieerd aanbod is noodzakelijk om iedereen gelijkwaardige
(‘eerlijke’) kansen te bieden
4