Begrippen
ontwikkelingspsychologie
Ontwikkelingspsychologie: wetenschappelijke studie naar groei, verandering en stabiliteit doorheen
de levensloop
Cohort effect: groep mensen die rond dezelfde tijd op dezelfde plek geboren zijn en dezelfde sociale
historische invloeden meemaken
Transactie: reeks dynamische, reciproke processen
Multideterminisme: veelheid aan factoren binnen het individu en de context spelen een rol in
ontwikkeling
Epigenetica: erfelijke effecten in genexpressie die optreden door omgevingsinvloeden en omkeerbaar
zijn
Abstract modeling: door de observatie van bekrachtiging van een bepaald gedrag gaan kinderen
algemene principes voor moreel gewenst gedrag afleiden
Maturatie: ontwikkeling komt van binnenuit, volgens een vaststaand patroon maar snelheid varieert
van persoon tot persoon
Interculturele fairness: intelligentie vaak getoetst in blanke, geïndustrialiseerde landen waardoor IQ in
andere landen met ethische achtergronden wordt onderschat
Psychogenese: individuen genereren hun eigen ontwikkeling in interactie met hun fysieke omgeving
Schema: georganiseerde manier/ cognitieve structuur waarmee we betekenis geven aan onze
ervaringen (accommodatie en assimilatie)
Object permanentie: symbolisch kunnen denken en representaties maken van dingen als het weg
is betekent dat niet dat het niet meer bestaat
Myelinatie: indicator voor rijping hersenen
Infantiele amnesia: vroegste ervaringen niet meer kunnen herinneren
Metageheugen: kennis over hoe je geheugen werkt kunnen ondersteunen = belangrijk voor leren
Sociaal-culturele theorie: cognitieve ontwikkeling als sociaal gemedieerd proces effect cultuur en
sociale interactie op cognitieve ontwikkeling
Knowledgeable others: anderen die meer weten of kunnen
Zone van naaste ontwikkeling: wat kind bereikt met hulp van anderen
Scaffolding: stijger om kind in zone van naaste ontwikkeling te laten komen, dan hulp afbouwen zodat
kind in zone van actuele ontwikkeling komt en geen hulp meer nodig heeft
Genotype: aangeboren genen
Fenotype: uiterlijk waarneembare kenmerken
Temperament: de manier waarop iemand op zijn omgeving reageert is redelijk stabiel
ontwikkelingspsychologie
Ontwikkelingspsychologie: wetenschappelijke studie naar groei, verandering en stabiliteit doorheen
de levensloop
Cohort effect: groep mensen die rond dezelfde tijd op dezelfde plek geboren zijn en dezelfde sociale
historische invloeden meemaken
Transactie: reeks dynamische, reciproke processen
Multideterminisme: veelheid aan factoren binnen het individu en de context spelen een rol in
ontwikkeling
Epigenetica: erfelijke effecten in genexpressie die optreden door omgevingsinvloeden en omkeerbaar
zijn
Abstract modeling: door de observatie van bekrachtiging van een bepaald gedrag gaan kinderen
algemene principes voor moreel gewenst gedrag afleiden
Maturatie: ontwikkeling komt van binnenuit, volgens een vaststaand patroon maar snelheid varieert
van persoon tot persoon
Interculturele fairness: intelligentie vaak getoetst in blanke, geïndustrialiseerde landen waardoor IQ in
andere landen met ethische achtergronden wordt onderschat
Psychogenese: individuen genereren hun eigen ontwikkeling in interactie met hun fysieke omgeving
Schema: georganiseerde manier/ cognitieve structuur waarmee we betekenis geven aan onze
ervaringen (accommodatie en assimilatie)
Object permanentie: symbolisch kunnen denken en representaties maken van dingen als het weg
is betekent dat niet dat het niet meer bestaat
Myelinatie: indicator voor rijping hersenen
Infantiele amnesia: vroegste ervaringen niet meer kunnen herinneren
Metageheugen: kennis over hoe je geheugen werkt kunnen ondersteunen = belangrijk voor leren
Sociaal-culturele theorie: cognitieve ontwikkeling als sociaal gemedieerd proces effect cultuur en
sociale interactie op cognitieve ontwikkeling
Knowledgeable others: anderen die meer weten of kunnen
Zone van naaste ontwikkeling: wat kind bereikt met hulp van anderen
Scaffolding: stijger om kind in zone van naaste ontwikkeling te laten komen, dan hulp afbouwen zodat
kind in zone van actuele ontwikkeling komt en geen hulp meer nodig heeft
Genotype: aangeboren genen
Fenotype: uiterlijk waarneembare kenmerken
Temperament: de manier waarop iemand op zijn omgeving reageert is redelijk stabiel