kennen voor je BOA-examen.
Voor je examen kan het makkelijk zijn als je een aantal begrippen uit je hoofd
weet. Bij de examenvragen komen deze woorden vaak voor. Zorg dat je goed
bent voorbereid en weet wat deze woorden betekenen, zo is het examen voor
jou makkie!
De grondwet: De grondwet beschermt de burgers tegen de overheid, en de
regels van onze staatsinrichting staan inde grondwet beschreven.
Het parlement: Bestaat uit de Eerste en de Tweede kamer. De Eerste kamer
bestaat uit 75 leden en de Tweede kamer bestaat uit 150 leden
Staten-Generaal: Is een ander woord voor parlement bestaat dus ook uit de
Eerste en de Tweede kamer.
Het kabinet: Bestaat uit Ministers en Staatssecretarissen.
Actief kiesrecht: Je mag stemmen. Bijvoorbeeld je gaat naar een stemhokje om
daar je stem uit te brengen op een politieke partij.
Passief kiesrecht: Je stelt je verkiesbaar. Bijvoorbeeld mensen kunnen op jou
stemmen om ervoor te zorgen dat jij in de gemeenteraad komt.
Het recht van amendement: Is het recht van de Tweede kamer om een nieuw
wetsvoorstel te wijzigen. De Eerste kamer heeft dit recht niet.
Centrale overheid: Nederland treedt naar buiten als 1 land, maar Nederland is
onderverdeeld in verschillende provincies en gemeentes.
Gedecentraliseerde eenheidsstaat: De centrale overheid heeft een deel van de
macht afgestaan aan lagere bestuursorganen zoals de provincies, de
gemeentes en waterschappen.
Trias politica: Is de scheiding van de machten. Trias politica bestaat uit de
wetgevende macht, uitvoerende macht en de rechtelijke macht.
,De wetgevende macht: Maken de nieuwe wetten of wijzigen de bestaande
wetten. De wetgevende macht bestaat uit de Regering en de Staten-Generaal.
Uitvoerende macht: Besturen het land. Bestaat uit de Koning en Ministers en
de Ministers en Staatssecretarissen.
Rechtelijke macht: De rechtelijke macht is ervoor om recht te spreken. Dat
wordt gedaan door de rechters, raadsheren en de Officier van Justitie samen
vormen zij het openbaarministerie. Ze zijn alle onafhankelijk en mogen niet
met elkaar overleggen.
De provinciale staten: Is de wetgevende macht binnen de provincie, en wordt
gekozen door mensen die in die provincie wonen. De zittingsduur van de
provinciale staten is 4 jaar.
Gedeputeerde staten: Is het dagelijks bestuur van de provincie, wordt
benoemd door de provinciale staten. De gedeputeerde staten is geen lid van de
provinciale staten. Ieder lid van de gedeputeerde staten heeft zijn eigen
takenpakket. De zittingsduur van de gedeputeerde staten is 4 jaar.
Commissaris van de koning: Is de voorzitter van de provinciale staten en de
gedeputeerde staten. Hij waakt over de materiele wetgeving en de besluiten.
De commissaris van de koning wordt bij koninklijk besluit benoemd, zijn
zittingsduur is 6 jaar.
De gemeenteraad: Is de wetgevend gevende macht binnen de gemeente.
Bestaat uit een groep gekozen volksvertegenwoordigers. De gemeenteraad
wordt gekozen door de bevolking die binnen die gemeente woont. De
zittingsduur van de gemeenteraad is 4 jaar.
Het college van burgermeesters en wethouders: Is het dagelijks bestuur van
de gemeente. Het college van burgermeesters en wethouders wordt benoemd
door de gemeenteraad. De zittingsduur van het college van burgermeesters en
wethouders is 6 jaar.
De burgermeester: Is voorzitter van de gemeenteraad, en word bij koninklijk
besluit benoemd. De zittingsduur is 6 jaar en herbenoeming is mogelijk.
Veiligheidsregio’s: Zijn een groep gemeentes die samen een regio vormen voor
de veiligheid. Zij geven vergunningen weg bijvoorbeeld voor de chemische
industrie.
, Wet in formele zin: Een wet in formele zin is een gezamenlijk besluit van de
regering en de Staten-Generaal volgens de grondwettelijke procedures. Je kan
een wet in formele zin herkennen aan dat het woord wet erin staat.
Wet in materiele zin: Is een algemeen bindend voorschrift dat voor iedereen
binnen een bepaald gebied geldt. Je kan de wet in materiele zin herkennen aan
dat het woord wet er niet in zit.
Attributie: Is het rechtstreeks toekennen van een bevoegdheid tot rechtspraak.
Delegatie: Is in het Nederlandse staatsrecht het overdragen van een bestaande
bevoegdheid.
Een algemene maatregel van bestuur: Een Algemene maatregel van bestuur is
een gebruiksaanwijzing van een artikel over de wet. De wet is beter uitgelegd
bijvoorbeeld hoe je de wet moet handteren.
Provinciale verordening: Het is een stukje materiele wetgeving, het wordt door
een lagere overheid bepaald. De regels gelden alleen binnen de provincie, en
mogen niet in strijd zijn met de wet.
Bijvoorbeeld je mag niet te hard rijden dat is vastgelegd in de wet, doe je dat
wel kan je er een bekeuring voor krijgen. Dan mag de provincie niet bepalen dat
er geen snelheidslimiet geldt voor de provincie.
Gemeentelijke verordening: Het is een stukje materiele wetgeving, wordt door
een lagere overheid bepaald. De regels geleden alleen binnen die gemeente en
mogen niet in strijd zijn met de wet.
Bijvoorbeeld stelen is verboden en dat is in de wet vastgelegd. Dan mag de
gemeente niet bepalen om dat niet strafbaar te stellen.
Noodverordening: Is een handrem die de burgermeester kan vastpakken als de
openbare orde gevaar loopt. Ook kan de burgermeester deze noodverordening
gebruiken als er bijzondere omstandigheden zijn en de openbare orde gevaar
loopt.
Noodbevel: Daarbij kan de burgermeester zelfs je grondrechten aanpassen.