BIO : deel 2: cellen vormen weefsels en organen
Wat zijn weefsels?
meercellige organismen bezitten weefsels.
- weefsels zijn cellen met ongeveer dezelfde vorm en met exact dezelfde functie die
samenwerken
- soms bevat een weefsel ook ondersteunende cellen (bv. gliacellen in de hersenen)
- weefsel voorbeelden bij mens en dier: vetweefsel, botweefsel en zenuwweefsel
- weefsel voorbeelden bij planten: vulweefsel, dekweefsel en transportweefsel
samenwerkende weefsels vormen organen.
- organen zijn onderdelen van het lichaam die een specifieke functie uitvoeren (bv. het
hart)
Groei van plantaardige weefsels
celdeling:
Als een eicel bevrucht wordt door de kern van een stuifmeelkorrel, ontstaat een embryo
waarvan alle cellen een grote delingscapaciteit bezitten.
- het volledige embryo bestaat uit groeiweefsel of meristeem → meristeemweefsel
kan groeien door opeenvolgende celdelingen: mitosedelingen
- bij planten bevindt het primair meristeemweefsel zich in zaden en aan de
groeitoppen van stengel en wortel → zij zorgen voor de lengtegroei van de
plant in de stengels, de bladeren, de bloemen en de wortels
- het secundaire meristeem bij planten bevindt zich aan de buitenkant van het hout in
een laag die we cambium noemen
- de cambiumlaag zorgt o.a. voor diktegroei van stengel en stam, aan de
binnenkant maakt ze houtcellen aan, aan de buitenkant vormt ze de bast
( afgestorven cellen die wij aanduiden als de schors) → de schors beschermt
tegen uitdroging, infectie en beschadiging van buitenaf
- dit is zowel bij kruidachtige als bij houtachtige planten het geval
- maar de capaciteit tot nieuwe aangroei in de tijd zal bij kruidachtige beperkter zijn: de
meeste kruidachtige planten hebben een beperkte levensduur, waarbij vorming van
hout niet of bijna nooit voorkomt
,celstrekking
nadat een nieuwe cel zich heeft gevormd, volgt een fase van celstrekking
- de cel neemt toe in volume: ze maakt extra cytoplasma aan, er ontstaan vacuolen en
de cel wordt langer omdat de vacuolen meer water opnemen
celdifferentiatie
celdifferentiatie is de volgende stap:
- in het DNA van de cellen worden sommige genen aangeschakeld of juist uitgeschakeld
- de cellen worden daardoor geprogrammeerd om een welbepaalde functie uit te voeren
en dus een bepaald weefsel te gaan vormen
- gedifferentieerde cellen zijn niet meer in staat om zichzelf te vermenigvuldigen
- om tot een volgroeid orgaan te komen, moeten dus ook nog stamcellen aanwezig zijn
- stamcellen zijn niet gedifferentieerd, bezitten een grote delingscapaciteit en
kunnen nog alle kanten op → zij blijven delen en leveren zo de nodige cellen
, blad en stengel bij monocotyle en dicotyle planten
een blad, een vergelijking
in de grote groep van bedektzadige planten onderscheid men de monocotyle
(eenzaadlobbigen) en de dicotyle planten (tweezaadlobbigen)
dicotyl monocotyl
patroon nerven
de nerven zijn vertakt de nerven lopen parallel
epidermis ( bovenste deklaag)
onregelmatige vorm zoals puzzelstukjes die regelmatige vorm: hoekige cellen die
in elkaar passen aansluiten
noem 3 vertegenwoordigers
appelboom, brandnetel en klaver kamerplant, gras en maïs
Wat zijn weefsels?
meercellige organismen bezitten weefsels.
- weefsels zijn cellen met ongeveer dezelfde vorm en met exact dezelfde functie die
samenwerken
- soms bevat een weefsel ook ondersteunende cellen (bv. gliacellen in de hersenen)
- weefsel voorbeelden bij mens en dier: vetweefsel, botweefsel en zenuwweefsel
- weefsel voorbeelden bij planten: vulweefsel, dekweefsel en transportweefsel
samenwerkende weefsels vormen organen.
- organen zijn onderdelen van het lichaam die een specifieke functie uitvoeren (bv. het
hart)
Groei van plantaardige weefsels
celdeling:
Als een eicel bevrucht wordt door de kern van een stuifmeelkorrel, ontstaat een embryo
waarvan alle cellen een grote delingscapaciteit bezitten.
- het volledige embryo bestaat uit groeiweefsel of meristeem → meristeemweefsel
kan groeien door opeenvolgende celdelingen: mitosedelingen
- bij planten bevindt het primair meristeemweefsel zich in zaden en aan de
groeitoppen van stengel en wortel → zij zorgen voor de lengtegroei van de
plant in de stengels, de bladeren, de bloemen en de wortels
- het secundaire meristeem bij planten bevindt zich aan de buitenkant van het hout in
een laag die we cambium noemen
- de cambiumlaag zorgt o.a. voor diktegroei van stengel en stam, aan de
binnenkant maakt ze houtcellen aan, aan de buitenkant vormt ze de bast
( afgestorven cellen die wij aanduiden als de schors) → de schors beschermt
tegen uitdroging, infectie en beschadiging van buitenaf
- dit is zowel bij kruidachtige als bij houtachtige planten het geval
- maar de capaciteit tot nieuwe aangroei in de tijd zal bij kruidachtige beperkter zijn: de
meeste kruidachtige planten hebben een beperkte levensduur, waarbij vorming van
hout niet of bijna nooit voorkomt
,celstrekking
nadat een nieuwe cel zich heeft gevormd, volgt een fase van celstrekking
- de cel neemt toe in volume: ze maakt extra cytoplasma aan, er ontstaan vacuolen en
de cel wordt langer omdat de vacuolen meer water opnemen
celdifferentiatie
celdifferentiatie is de volgende stap:
- in het DNA van de cellen worden sommige genen aangeschakeld of juist uitgeschakeld
- de cellen worden daardoor geprogrammeerd om een welbepaalde functie uit te voeren
en dus een bepaald weefsel te gaan vormen
- gedifferentieerde cellen zijn niet meer in staat om zichzelf te vermenigvuldigen
- om tot een volgroeid orgaan te komen, moeten dus ook nog stamcellen aanwezig zijn
- stamcellen zijn niet gedifferentieerd, bezitten een grote delingscapaciteit en
kunnen nog alle kanten op → zij blijven delen en leveren zo de nodige cellen
, blad en stengel bij monocotyle en dicotyle planten
een blad, een vergelijking
in de grote groep van bedektzadige planten onderscheid men de monocotyle
(eenzaadlobbigen) en de dicotyle planten (tweezaadlobbigen)
dicotyl monocotyl
patroon nerven
de nerven zijn vertakt de nerven lopen parallel
epidermis ( bovenste deklaag)
onregelmatige vorm zoals puzzelstukjes die regelmatige vorm: hoekige cellen die
in elkaar passen aansluiten
noem 3 vertegenwoordigers
appelboom, brandnetel en klaver kamerplant, gras en maïs