Hoofdstuk 1 • De vraag naar producten
4.5
4
§1.1 De individuele vraag
3.5 Wet van de vraag: hoe hoger de prijs, hoe kleiner de gevraagde
3 hoeveelheid.
2.5
2 Individuele vraag = het aantal eenheden dat een consument ergens
1.5 van wil kopen bij een bepaalde prijs.
1
0.5 Betalingsbereidheid = de maximale prijs die een consument wil
0
1 2 3 4
betalen voor één product bij een gegeven aantal.
Consumentensurplus = betalingsbereidheid – de prijs van het
product.
5
4 Individuele vraaglijn ->
3
<- Berekenen van consumentensurplus aan de hand
2
van een vraaglijn.
1
0
0 1 2 33 4 5
De individuele vraag wordt beïnvloed door:
1. De individuele voorkeuren (wat je leuk vindt)
2. Het beschikbare budget (hoeveel geld je hebt)
3. De aanwezigheid van substitueerbare producten = verschillende producten, die
voorzien in de bevrediging van dezelfde behoefte -> meer producten, lagere
betalingsbereidheid.
4. Het bestaan van complementaire producten = producten die alleen in combinatie
met elkaar een behoefte kunnen bevredigen -> een van de producten kopen, stimuleert
het kopen van het andere product, betalingsbereidheid wordt hoger.
5. Exogene factoren = omstandigheden waar een consument geen invloed op heeft: het
weer, verkeersdrukte.
§2 De collectieve vraag
Collectieve vraag = alle individuele vragen bij elkaar opgeteld (zelfde geldt voor de
collectieve vraaglijn), wordt ook wel de prijs-afzetlijn genoemd.
Afzetgebied = het gebied waarin het product wordt verkocht.
Collectieve consumentensurplus = de optelsom van het individuele consumentensurplus van
alle individuen in de groep die het product kopen.
§3 Prijselasticiteit
Omzet = prijs x gevraagde hoeveelheid = P * Q
procentuele verandering gevraagde hoeveelheid % ∆ Q rc∗P
Prijselasticiteit (Ev) = = =
procentuele verandering prijs %∆P Q
Waarde prijselasticiteit Procentuele veranderingen Gevolg van prijsverhoging
Ev = 0 Volkomen in-elastisch Omzet stijgt
-1 < Ev < 0 In-elastische vraag Omzet stijgt
Ev ≤ -1 Elastische vraag Omzet daalt