Atoombouw, moleculen, metalen, zouten
Een atoom is opgebouwd uit een kern en een elektronenwolk. De kern bestaat uit protonen en
neutronen (m=1,0u).
Massagetal: de som van de deeltjes met massa. Dus het totaal aantal protonen en neutronen.
Atoomnummer is het aantal protonen in de kern.
Li is atoomnummer 3 en massagetal 7. Li heeft dan 3 protonen en dus 4 neutronen in de kern. De
netto lading is 0 dus er zijn ook 3 elektronen.
Ionen
Ionen hebben een andere lading. Het aantal protonen blijft gelijk maar het aantal elektronen
verschilt:
Isotopen
Hebben hetzelfde aantal protonen en elektronen maar een ander aantal neutronen. Het massagetal
verschilt dan. Een voorbeeld is Cl.
Schillen
Elektronen zitten in verschillende schillen (K, L, M, N etc.). het maximum aantal elektronen met schil
bedraagt 2n2
K n=1
L n=2
M n=3
Je kunt deze informatie vinden in de het periodiek
systeem.
2
, Periodiek systeem
Het periodiek systeem is verdeeld in de metalen en de niet-metalen. Er is sprake van groepen
(verticaal) en perioden (horizontaal). De eerste groep zijn de alkalimetalen, groep 17 zijn de
halogenen, groep 18 de edelgassen.
Moleculen
Deeltjes om ons heen bestaan uit de moleculen, metalen en zouten. De moleculen zijn alleen niet-
metalen, hier zijn structuurformules over te tekenen. Metalen zijn gewoon metalen en zouten zijn
opgebouw uit een positief metaal ion en een negatief niet-metaal ion. (NaCl etc.)
Covalentie: het aantal bindingen dat een niet-metaal kan aangaan. Covalentie is af te leiden uit het
periodiek systeem.
Bij een CH binding mag je de H weglaten. Andere bindingen met een H moet je wel altijd aangeven!!
Een atoombinging is een binding van twee niet-metalen. Elektronenparen kunne ook verschuiven. Dit
is een polaire atoombinding. Dit wordt veroorzaakt door elektronegativiteit. Hoe groter deze
negativiteit is, is hoe harder hij trekt aan een gemeenschappelijk elektronenpaar. H wordt dan een
beetje positief en Cl een beetje negatief.
Als dit verschil groter is dan 0,4 en kleiner dan 1,7 heb je een polaire atoombinding.
3
Een atoom is opgebouwd uit een kern en een elektronenwolk. De kern bestaat uit protonen en
neutronen (m=1,0u).
Massagetal: de som van de deeltjes met massa. Dus het totaal aantal protonen en neutronen.
Atoomnummer is het aantal protonen in de kern.
Li is atoomnummer 3 en massagetal 7. Li heeft dan 3 protonen en dus 4 neutronen in de kern. De
netto lading is 0 dus er zijn ook 3 elektronen.
Ionen
Ionen hebben een andere lading. Het aantal protonen blijft gelijk maar het aantal elektronen
verschilt:
Isotopen
Hebben hetzelfde aantal protonen en elektronen maar een ander aantal neutronen. Het massagetal
verschilt dan. Een voorbeeld is Cl.
Schillen
Elektronen zitten in verschillende schillen (K, L, M, N etc.). het maximum aantal elektronen met schil
bedraagt 2n2
K n=1
L n=2
M n=3
Je kunt deze informatie vinden in de het periodiek
systeem.
2
, Periodiek systeem
Het periodiek systeem is verdeeld in de metalen en de niet-metalen. Er is sprake van groepen
(verticaal) en perioden (horizontaal). De eerste groep zijn de alkalimetalen, groep 17 zijn de
halogenen, groep 18 de edelgassen.
Moleculen
Deeltjes om ons heen bestaan uit de moleculen, metalen en zouten. De moleculen zijn alleen niet-
metalen, hier zijn structuurformules over te tekenen. Metalen zijn gewoon metalen en zouten zijn
opgebouw uit een positief metaal ion en een negatief niet-metaal ion. (NaCl etc.)
Covalentie: het aantal bindingen dat een niet-metaal kan aangaan. Covalentie is af te leiden uit het
periodiek systeem.
Bij een CH binding mag je de H weglaten. Andere bindingen met een H moet je wel altijd aangeven!!
Een atoombinging is een binding van twee niet-metalen. Elektronenparen kunne ook verschuiven. Dit
is een polaire atoombinding. Dit wordt veroorzaakt door elektronegativiteit. Hoe groter deze
negativiteit is, is hoe harder hij trekt aan een gemeenschappelijk elektronenpaar. H wordt dan een
beetje positief en Cl een beetje negatief.
Als dit verschil groter is dan 0,4 en kleiner dan 1,7 heb je een polaire atoombinding.
3