Biogenie 3.2
Skelet- en bewegingsstelsel van de mens
Skeletonderdelen
- Skelet bestaat uit 206 beenderen
- 4 groepen:
- Korte beenderen (hand en
voetwortelbeentjes)
- Onregelmatige beenderen
(wervels, boven en onderkaak)
- Lange beenderen
- =pijpbeenderen
- Holle schacht met beenmerg en
twee verdikte uiteinden
- Alle beenderen van de
ledematen behalve knieschijf en
hand en voetwortelbeentjes
- Platte beenderen
- Dunne afgeplatte en gebogen
beenderen
- hersenschedel, schouderbladen,
sleutelbeenderen, borstbeen,
ribben en heupbeen
- FUNCTIES LANGE EN PLATTE
BEENDEREN:
- Steun en vorm
- Beweging
- Opslagplaats van mineralen
(calcium en fosfaat)
- Aanmaak van de bloedcellen
- (kind: RBC, WBC en
bloedplaatjes in mergholtes)
1
, (vanaf 20 jaar: rood beenmerg —> geel beenmerg (vet), bloedcelvorming in
platte beenderen)
- Bescherming weke organen (platte beenderen)
Bouw van beenweefsel en kraakbeenweefsel
- = Steunweefsels, steun, vorm en beweeglijkheid
- Steunweefsels algemeen:
- Opgebouwd uit gespecialiseerde cellen ingebed in tussencelstof
(=intercellulaire matrix)
- Cellen zelf produceren deze matrix
- Beenweefsel:
- Buitenkant —> compact been (binnen
beenvlies), vooral aan de schacht
- Uiteinden en centrum —> netwerk van
beenbalkjes met holten, sponsachtig been
met in de holten rood beenmerg
- Levend en zeer actief weefsel (continue
afbraak en opbouw)
- Compact been: regelmatige buizen, elke
buis heeft lamellen die concentrisch
rondom centraal gelegen kanaal liggen
- Lamellen hebben botcellen, ingebed in
de intracellulaire matrix (collageen en
kalkzouten)
- Het kanaal bevat bloedvaten
(voedingsstoffen)
- Sponsachtig been: opgebouwd uit onregelmatige lamellen met botcellen en
matrix. Holten gevuld met beenmerg en bloedvaten
- Kraakbeenweefsel:
- Op verschillende plaatsen in het lichaam
- Verbinding tussen beenderen, vormgevend en steunend weefsel in organen en
gewrichten
- vb: tussen borstbeen en ribben (verbinding), in oorschelpen, neusvleugels
(steunend en vormgevend)
2
Skelet- en bewegingsstelsel van de mens
Skeletonderdelen
- Skelet bestaat uit 206 beenderen
- 4 groepen:
- Korte beenderen (hand en
voetwortelbeentjes)
- Onregelmatige beenderen
(wervels, boven en onderkaak)
- Lange beenderen
- =pijpbeenderen
- Holle schacht met beenmerg en
twee verdikte uiteinden
- Alle beenderen van de
ledematen behalve knieschijf en
hand en voetwortelbeentjes
- Platte beenderen
- Dunne afgeplatte en gebogen
beenderen
- hersenschedel, schouderbladen,
sleutelbeenderen, borstbeen,
ribben en heupbeen
- FUNCTIES LANGE EN PLATTE
BEENDEREN:
- Steun en vorm
- Beweging
- Opslagplaats van mineralen
(calcium en fosfaat)
- Aanmaak van de bloedcellen
- (kind: RBC, WBC en
bloedplaatjes in mergholtes)
1
, (vanaf 20 jaar: rood beenmerg —> geel beenmerg (vet), bloedcelvorming in
platte beenderen)
- Bescherming weke organen (platte beenderen)
Bouw van beenweefsel en kraakbeenweefsel
- = Steunweefsels, steun, vorm en beweeglijkheid
- Steunweefsels algemeen:
- Opgebouwd uit gespecialiseerde cellen ingebed in tussencelstof
(=intercellulaire matrix)
- Cellen zelf produceren deze matrix
- Beenweefsel:
- Buitenkant —> compact been (binnen
beenvlies), vooral aan de schacht
- Uiteinden en centrum —> netwerk van
beenbalkjes met holten, sponsachtig been
met in de holten rood beenmerg
- Levend en zeer actief weefsel (continue
afbraak en opbouw)
- Compact been: regelmatige buizen, elke
buis heeft lamellen die concentrisch
rondom centraal gelegen kanaal liggen
- Lamellen hebben botcellen, ingebed in
de intracellulaire matrix (collageen en
kalkzouten)
- Het kanaal bevat bloedvaten
(voedingsstoffen)
- Sponsachtig been: opgebouwd uit onregelmatige lamellen met botcellen en
matrix. Holten gevuld met beenmerg en bloedvaten
- Kraakbeenweefsel:
- Op verschillende plaatsen in het lichaam
- Verbinding tussen beenderen, vormgevend en steunend weefsel in organen en
gewrichten
- vb: tussen borstbeen en ribben (verbinding), in oorschelpen, neusvleugels
(steunend en vormgevend)
2