WEEK 2 | INLEIDING STRAFRECHT
HOORCOLLEGE
Onderwerp week 2: Materieel strafrecht
Programma
- Uitgangspunten in Nederlands materieel strafrecht
- Indelingen van strafbare feiten
- Opbouw van een strafbaarstelling
- Voorwaarden voor strafbaarheid
Materieel strafrecht bevat het geheel van rechtsregels waarin is vastgelegd welke gedragingen strafbaar
zijn, onder welke omstandigheden die gedragingen precies strafbaar zijn, en ook welke sancties op welke
strafbare gedragingen staan.
Wat is precies strafbaar gedrag in Nederland? Het materiële strafrecht geeft uitdrukking aan waarden en
normen die in een land belangrijk worden bevonden. Als die waarden en normen geschonden worden, is
daar een consequentie aan verbonden. Het geeft dus veel informatie
Legaliteitsbeginsel: een feit is pas strafbaar als het in de wet staat.
Het materiële strafrecht is vooral te vinden in het Wetboek van Strafrecht, maar ook in de bijzondere wetten
zoals de Opiumwet, Wegenverkeerswet etc.
Indeling Wetboek van Strafrecht
Eerste Boek Algemene bepalingen [materiële wetten]
Tweede Boek Misdrijven [bijzondere wetten]
Derde Boek Overtredingen [bijzondere wetten]
De wetgever bepaalt wat een misdrijf is en wat een overtreding is. Niet alleen de landelijke wetgever mag
materieel strafrecht creëren, ook de lagere wetgever mag dat. Belangrijk is dat alleen de landelijke
wetgever misdrijven én overtredingen mag bepalen, dat mag de lagere wetgever dan weer niet. De lagere
wetgever mag dus algemene bepalingen maken en overtredingen bepalen.
De bepalingen over wat strafbaar is, dus de afzonderlijke strafbare feiten en de sancties waarmee die
strafbare gedragingen worden bedreigd, vallen onder het bijzondere deel van het materiële strafrecht (dus
Tweede Boek en Derde Boek) én in de bijzondere wetten (bv. Opiumwet).
Het algemene deel van het materiële strafrecht is terug te vinden in het Eerste boek en bevat algemene
bepalingen die altijd gelden, met welk strafbaar feit je ook te maken hebt. De algemene bepalingen zijn niet
alleen van toepassing op het Tweede Boek en Derde Boek, maar ook op de gedragingen die bij andere
wetgeving strafbaar zijn gesteld, zoals bij de Opiumwet maar ook bij APV’s. Dit vinden we terug in de
slotbepaling van art. 91 van het Wetboek van Strafrecht.
Wie maakt de materiële wet?
Ons materiële strafrecht wordt mede vorm gegeven door het internationale en Europese recht. Op grond
van verdragen kunnen sommige gedragingen strafbaar worden gesteld in het nationale recht. Nederland
staat onder invloed van EU-recht uit Brussel. Wat er in het Wetboek van Strafrecht staat, is vaak niet alleen
in Nederland bepaald, maar ook via het EU-recht en soms zelfs op wereldniveau. Het laten doorwerken van
internationaal en Europees recht in het nationale recht wordt ook wel implementatie genoemd en hangt
nauw samen met het legaliteitsbeginsel.
,Uitgangspunten in Nederlands materieel strafrecht
1. Iedereen is verantwoordelijk voor het eigen strafbaar handelen
Het is een keuze om wel of geen strafbare feiten te plegen. Degene die daar wél voor kiest, is daarvoor
verantwoordelijk. Er kan je dan een verwijt worden gemaakt en precies dat is de grondslag van
bestraffing. Er moet wel sprake zijn van een toerekenbaar verwijt. Dit is namelijk belangrijk voor de
mensen die onder invloed zijn van een geestelijke stoornis. Die mensen kan het verwijt niet toegerekend
worden, dus kunnen ze ook niet strafbaar zijn. “Geen straf zonder schuld.” Bestraffing moet altijd in een
redelijke verhouding zijn met het gemaakte verwijt.
2. Er moet altijd sprake zijn van een individuele gedraging alvorens er gesproken kan worden van
strafbaar gedrag.
Er moet ten eerste sprake zijn van een gedraging. Wat je denkt, is niet strafbaar, dus gesteld kan
worden dat we geen intentie strafrecht hebben. Je kunt strafbaar handelen én strafbaar nalaten. Het feit
dat er sprake moet zijn an een individuele gedraging, betekent niet dat enkel een voltooide gedraging
onder het bereik van het materiële strafrecht valt. Zo is een poging tot het doodschieten van iemand ook
strafbaar, net als de voorbereidingen van het plegen van een moord. Gedragingen in de voorfase en
om een misdrijf heen worden steeds vaker strafbaar gesteld (zie art. 134a. Sr.).
Indeling van strafbare feiten
1. Het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen.
- zegt iets over hoe erg de wetgever de desbetreffende gedraging vindt
- ‘de poging’, ‘de voorbereiding’ en ‘medeplichtigheid’ kunnen enkel van toepassing zijn bij misdrijven
Opiumwet voorbeeld:
- Artikel 2b
- heeft betrekking op lijst 1 (o.a. cocaïne)
- verbied het verkopen van middelen op lijst 1
- Artikel 10 lid 4
- verwezen naar opzettelijk handelen in strijd met een in onder art. 2 onder b gegeven verbod
- dat handelen wordt bedreigd met een gevangenisstraf
- Artikel 13 lid 2
- verwijzing naar art. 10 lid 2 t/m 6
- er is sprake van een misdrijf
Conclusie: het opzettelijk verkopen van cocaïne is een misdrijf en wordt bestraft met een gevangenisstraf
tot maximaal 8 jaar. Óók voorbereidingshandelingen zijn van toepassing bij misdrijven.
2. Doleuze en culpoze delicten
- opzet delicten (doleus) en schulddelicten (culpoos)
- dit onderscheid is voornamelijk van belang bij misdrijven
- uit het delict wordt gehaald of opzet of culpa is vereist
Art. 287 Sr.: “Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Conclusie: doleus delict
Art. 307 Sr.: “Hij aan wiens schuld de dood van een ander te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
Conclusie: culpoos delict
Art. 417bis Sr.: “hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op
of zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het
voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht redelijkerwijs had moeten
vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof”
Conclusie: culpoos delict
, 3. Commissie delicten en omissie delicten
- commissiedelicten: als de strafbare gedraging een doen omvat
- omissiedelicten: als de strafbare gedraging een nalaten omvat
Art. 444 Sr.: “Hij die, wettelijk als getuige, als deskundige of als tolk opgeroepen, wederrechtelijk wegblijft,
wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.”
Conclusie: omissiedelict
4. Materieel en formeel omschreven delicten
- materieel omschreven delict: de strafbare gedraging is omschreven naar het gevolg; het gevolg staat
centraal
- formeel omschreven delict: de strafbare gedraging is omschreven naar de gedraging zelf; het gevolg
staat niet centraal
5. Gronddelict, gekwalificeerd delict en geprivilegieerd delict
- gekwalificeerd delict: als de strafbepaling extra onderdelen omvat, ten opzichte van een reeds eerder
strafbaar gesteld feit én als die extra onderdelen een strafverzwarend effect hebben.
- geprivilegieerd delict: als de strafbepaling extra onderdelen omvat, ten opzichte van een reeds eerder
strafbaar gesteld feit, maar waarbij die extra onderdelen juist een strafverminderend effect hebben.
Art. 300 Sr. lid 3: “Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.”
Conclusie: gekwalificeerd delict
Art. 290 Sr: “De moeder die, onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling, haar kind
bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, wordt, als schuldig aan kinderdoodslag, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.”
Conclusie: geprivilegieerd delict
Een bijzondere bepaling (lex specialis) heeft voorrang boven een algemene regel (lex generalis). Een
gekwalificeerd en geprivilegieerd delict (lex specialis) prefereert altijd boven het gronddelict (lex generalis).
Opbouw strafbaar stelling
1. Delictsomschrijving
2. Sanctienorm
3. Kwalificatie: niet erg relevant
Art. 287 Sr.: “Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
- Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft [= delictsomschrijving]
- wordt als schuldig aan doodslag [= kwalificatie]
- gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie [=
sanctienorm]
“Schuldig” in de kwalificatie, heeft niets te maken met schuld of culpa.
Voorwaarden voor strafbaarheid
Om te spreken van strafbaar gedrag, moet de delictsomschrijving vervuld zijn. Het enkel vervullen van de
delictsomschrijving is niet altijd genoeg. De delictsomschrijving is onderdeel van het begrip
“strafbaarheid”. Er zijn dus een aantal voorwaarden voor strafbaarheid die nog eens bovenop de
delictsomschrijving komen. Er zijn vier voorwaarden voor strafbaarheid:
1. Er moet sprake zijn van een menselijke gedraging
2. die past binnen een delictsomschrijving;
3. die wederrechtelijk is [tenzij rechtvaardigingsgrond!]
4. die verwijtbaar is / aan schuld te wijten is [tenzij schulduitsluitingsgrond!]
HOORCOLLEGE
Onderwerp week 2: Materieel strafrecht
Programma
- Uitgangspunten in Nederlands materieel strafrecht
- Indelingen van strafbare feiten
- Opbouw van een strafbaarstelling
- Voorwaarden voor strafbaarheid
Materieel strafrecht bevat het geheel van rechtsregels waarin is vastgelegd welke gedragingen strafbaar
zijn, onder welke omstandigheden die gedragingen precies strafbaar zijn, en ook welke sancties op welke
strafbare gedragingen staan.
Wat is precies strafbaar gedrag in Nederland? Het materiële strafrecht geeft uitdrukking aan waarden en
normen die in een land belangrijk worden bevonden. Als die waarden en normen geschonden worden, is
daar een consequentie aan verbonden. Het geeft dus veel informatie
Legaliteitsbeginsel: een feit is pas strafbaar als het in de wet staat.
Het materiële strafrecht is vooral te vinden in het Wetboek van Strafrecht, maar ook in de bijzondere wetten
zoals de Opiumwet, Wegenverkeerswet etc.
Indeling Wetboek van Strafrecht
Eerste Boek Algemene bepalingen [materiële wetten]
Tweede Boek Misdrijven [bijzondere wetten]
Derde Boek Overtredingen [bijzondere wetten]
De wetgever bepaalt wat een misdrijf is en wat een overtreding is. Niet alleen de landelijke wetgever mag
materieel strafrecht creëren, ook de lagere wetgever mag dat. Belangrijk is dat alleen de landelijke
wetgever misdrijven én overtredingen mag bepalen, dat mag de lagere wetgever dan weer niet. De lagere
wetgever mag dus algemene bepalingen maken en overtredingen bepalen.
De bepalingen over wat strafbaar is, dus de afzonderlijke strafbare feiten en de sancties waarmee die
strafbare gedragingen worden bedreigd, vallen onder het bijzondere deel van het materiële strafrecht (dus
Tweede Boek en Derde Boek) én in de bijzondere wetten (bv. Opiumwet).
Het algemene deel van het materiële strafrecht is terug te vinden in het Eerste boek en bevat algemene
bepalingen die altijd gelden, met welk strafbaar feit je ook te maken hebt. De algemene bepalingen zijn niet
alleen van toepassing op het Tweede Boek en Derde Boek, maar ook op de gedragingen die bij andere
wetgeving strafbaar zijn gesteld, zoals bij de Opiumwet maar ook bij APV’s. Dit vinden we terug in de
slotbepaling van art. 91 van het Wetboek van Strafrecht.
Wie maakt de materiële wet?
Ons materiële strafrecht wordt mede vorm gegeven door het internationale en Europese recht. Op grond
van verdragen kunnen sommige gedragingen strafbaar worden gesteld in het nationale recht. Nederland
staat onder invloed van EU-recht uit Brussel. Wat er in het Wetboek van Strafrecht staat, is vaak niet alleen
in Nederland bepaald, maar ook via het EU-recht en soms zelfs op wereldniveau. Het laten doorwerken van
internationaal en Europees recht in het nationale recht wordt ook wel implementatie genoemd en hangt
nauw samen met het legaliteitsbeginsel.
,Uitgangspunten in Nederlands materieel strafrecht
1. Iedereen is verantwoordelijk voor het eigen strafbaar handelen
Het is een keuze om wel of geen strafbare feiten te plegen. Degene die daar wél voor kiest, is daarvoor
verantwoordelijk. Er kan je dan een verwijt worden gemaakt en precies dat is de grondslag van
bestraffing. Er moet wel sprake zijn van een toerekenbaar verwijt. Dit is namelijk belangrijk voor de
mensen die onder invloed zijn van een geestelijke stoornis. Die mensen kan het verwijt niet toegerekend
worden, dus kunnen ze ook niet strafbaar zijn. “Geen straf zonder schuld.” Bestraffing moet altijd in een
redelijke verhouding zijn met het gemaakte verwijt.
2. Er moet altijd sprake zijn van een individuele gedraging alvorens er gesproken kan worden van
strafbaar gedrag.
Er moet ten eerste sprake zijn van een gedraging. Wat je denkt, is niet strafbaar, dus gesteld kan
worden dat we geen intentie strafrecht hebben. Je kunt strafbaar handelen én strafbaar nalaten. Het feit
dat er sprake moet zijn an een individuele gedraging, betekent niet dat enkel een voltooide gedraging
onder het bereik van het materiële strafrecht valt. Zo is een poging tot het doodschieten van iemand ook
strafbaar, net als de voorbereidingen van het plegen van een moord. Gedragingen in de voorfase en
om een misdrijf heen worden steeds vaker strafbaar gesteld (zie art. 134a. Sr.).
Indeling van strafbare feiten
1. Het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen.
- zegt iets over hoe erg de wetgever de desbetreffende gedraging vindt
- ‘de poging’, ‘de voorbereiding’ en ‘medeplichtigheid’ kunnen enkel van toepassing zijn bij misdrijven
Opiumwet voorbeeld:
- Artikel 2b
- heeft betrekking op lijst 1 (o.a. cocaïne)
- verbied het verkopen van middelen op lijst 1
- Artikel 10 lid 4
- verwezen naar opzettelijk handelen in strijd met een in onder art. 2 onder b gegeven verbod
- dat handelen wordt bedreigd met een gevangenisstraf
- Artikel 13 lid 2
- verwijzing naar art. 10 lid 2 t/m 6
- er is sprake van een misdrijf
Conclusie: het opzettelijk verkopen van cocaïne is een misdrijf en wordt bestraft met een gevangenisstraf
tot maximaal 8 jaar. Óók voorbereidingshandelingen zijn van toepassing bij misdrijven.
2. Doleuze en culpoze delicten
- opzet delicten (doleus) en schulddelicten (culpoos)
- dit onderscheid is voornamelijk van belang bij misdrijven
- uit het delict wordt gehaald of opzet of culpa is vereist
Art. 287 Sr.: “Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Conclusie: doleus delict
Art. 307 Sr.: “Hij aan wiens schuld de dood van een ander te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
Conclusie: culpoos delict
Art. 417bis Sr.: “hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op
of zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het
voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht redelijkerwijs had moeten
vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof”
Conclusie: culpoos delict
, 3. Commissie delicten en omissie delicten
- commissiedelicten: als de strafbare gedraging een doen omvat
- omissiedelicten: als de strafbare gedraging een nalaten omvat
Art. 444 Sr.: “Hij die, wettelijk als getuige, als deskundige of als tolk opgeroepen, wederrechtelijk wegblijft,
wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.”
Conclusie: omissiedelict
4. Materieel en formeel omschreven delicten
- materieel omschreven delict: de strafbare gedraging is omschreven naar het gevolg; het gevolg staat
centraal
- formeel omschreven delict: de strafbare gedraging is omschreven naar de gedraging zelf; het gevolg
staat niet centraal
5. Gronddelict, gekwalificeerd delict en geprivilegieerd delict
- gekwalificeerd delict: als de strafbepaling extra onderdelen omvat, ten opzichte van een reeds eerder
strafbaar gesteld feit én als die extra onderdelen een strafverzwarend effect hebben.
- geprivilegieerd delict: als de strafbepaling extra onderdelen omvat, ten opzichte van een reeds eerder
strafbaar gesteld feit, maar waarbij die extra onderdelen juist een strafverminderend effect hebben.
Art. 300 Sr. lid 3: “Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.”
Conclusie: gekwalificeerd delict
Art. 290 Sr: “De moeder die, onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling, haar kind
bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, wordt, als schuldig aan kinderdoodslag, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.”
Conclusie: geprivilegieerd delict
Een bijzondere bepaling (lex specialis) heeft voorrang boven een algemene regel (lex generalis). Een
gekwalificeerd en geprivilegieerd delict (lex specialis) prefereert altijd boven het gronddelict (lex generalis).
Opbouw strafbaar stelling
1. Delictsomschrijving
2. Sanctienorm
3. Kwalificatie: niet erg relevant
Art. 287 Sr.: “Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
- Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft [= delictsomschrijving]
- wordt als schuldig aan doodslag [= kwalificatie]
- gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie [=
sanctienorm]
“Schuldig” in de kwalificatie, heeft niets te maken met schuld of culpa.
Voorwaarden voor strafbaarheid
Om te spreken van strafbaar gedrag, moet de delictsomschrijving vervuld zijn. Het enkel vervullen van de
delictsomschrijving is niet altijd genoeg. De delictsomschrijving is onderdeel van het begrip
“strafbaarheid”. Er zijn dus een aantal voorwaarden voor strafbaarheid die nog eens bovenop de
delictsomschrijving komen. Er zijn vier voorwaarden voor strafbaarheid:
1. Er moet sprake zijn van een menselijke gedraging
2. die past binnen een delictsomschrijving;
3. die wederrechtelijk is [tenzij rechtvaardigingsgrond!]
4. die verwijtbaar is / aan schuld te wijten is [tenzij schulduitsluitingsgrond!]