Ongelijkheid is van alle tijden
Over de gelaagdheid van de samenleving
Ongelijkheid vooral in de vorm van inkomensongelijkheid staat vandaag weer in de
belangstelling. Vooral de huidige crisis heeft daartoe bijgedragen.
In The Spirit Level analyseerden Wilkinson en Pickett een aanzienlijke collectie data en
concludeerden daaruit dat in landen met een hogere inkomensongelijkheid veel meer sociale
problemen voorkomen dan in landen waar het inkomen gelijker is verdeeld
Inzake sociale mobiliteit concluderen ze dat je kansen op sociale stijging vandaag veel beter
liggen in de Scandinavische landen dan in de VS, die niettemin trots zijn op hun slagzin: from
rags to riches
Thomas Piketty, een Franse econoom verklaart opnieuw groeiende inkomens- en
vermogensongelijkheid in de eerste plaats doordat in een neoliberale markteconomie, het
rendement op kapitaal doorgaans hoger ligt dan de groei van het nationaal inkomen: r > g.
Dat leidt ertoe dat ‘oude’ rijkdom, via intresten, opbrengsten uit financiële producten of huur,
sneller groeit dan ‘nieuwe’ rijkdom in de vorm van economische productie en lonen. In een
economisch systeem zoals het onze, dat gebaseerd is op privébezit wordt vermogen van
generatie op generatie geaccumuleerd en overgedragen: het vloeit dus toe aan een selecte
maatschappelijke groep.
Na de Tweede Wereldoorlog zorgden het al besproken fordistische compris, afspraken
tussen de werkgevers en vakbonden over een relatief billijke verdeling van de
productiviteitswinsten, en de daarmee verbonden uitbouw van een welvaartsstaat in de
meest industrielanden voor een effectieve buffer tegen de harde ‘wetmatigheden van het
kapitaal’. Dat resulteerde in een groeiende welvaart van de middenklasse. Aan dat proces is
een einde gekomen. Hij wijst erop dat herverdeling ook inhoudt dat nationale overheden op
een gecoördineerde manier ‘de rijkdom zullen moeten begrenzen’ door systemen van
vermogensheffing te introduceren.
Nobelprijswinnaars Joseph Stiglitz en Paul Krugman schrijven in dezelfde richting. Stiglitz
beklemtoont in The Price of Inequality de desastreuze morele en economische kosten:
minder groei en efficiëntie.
Internationale instellingen: OESO, de Wereldban en het Internationaal Monetair Fonds, The
Economist, Financial Times
Volgens ramingen van de OESO is de inkomensongelijkheid toegenomen tussen 1985 en
2008 in 17 van de 22 landen waarvoor langetermijngegevens beschikbaar zijn. In 1985
bedroeg de Gini-index in de OESO-landen gemiddeld 0,29. Gedurende de volgende twee
decennia is die index gestegen tot 0,32, wat dus een toename van de ongelijkheid betekent
Het onderzoek over sociale ongelijkheid heeft een drievoudige empirische focus:
1. Veel energie naar het produceren van relatief objectieve maatstaven voor het
vaststellen van de verdeling van middelen over individuen en gezinshoofden, maar
ook andere aspecten van ongelijkheid: levensverwachting of toegang tot onderwijs
2. Menige poging om de mate van intergenerationele of intragenerationele sociale
mobiliteit te meten
3. Vormen van klassenbewustzijn in de zin van hoe de perceptie van sociale
ongelijkheid verschilt naargelang van de sociale klasse
Het opmerkelijkst is evenwel de opbloei van het debat over het al dan niet bestaan van
sociale klasse en over de relevantie van dat concept.
, Standing: zijn precariaat is een nieuwe sociale onderklasse, een proletariaat in precaire
werk- en leefomstandigheden
10.1 – Verscheidenheid en ongelijkheid: een raamwerk
Dahrendorf identificeert verschillende soorten van verschillen in de samenleving. Hij
onderscheidt natuurlijk en sociale verschillen en ook ongelijkheden die een zekere vorm van
rangorde impliceren.
Mensen verschillen duidelijk van elkaar qua natuurlijke eigenschappen en capaciteiten =
natuurlijke soortverschillen
Natuurlijke rangverschillen: sommige mensen kunnen sneller lopen dan andere of beter en
verder zien.
Dat onderscheid tussen soort en rang, tussen nominale en ordinale schalen, kunnen we ook
maken qua sociale verschillen. Mensen kunnen sociale rollen vervullen zonder dat daaraan
een positieve of negatieve evaluatie wordt gekoppeld. Dahrendorf noemt dat soort sociale
verschillen ‘sociale differentiatie’. Het gaat om neutrale specificaties van de
verantwoordelijkheden en rechten die verbonden zijn met een bepaalde sociale positie, of
van de kenmerken die toegewezen worden aan een bepaald sociaal type.
Soortverschillen Rangverschillen
Natuurlijke verschillen Natuurlijke soortverschillen Natuurlijke rangverschillen
Sociale verschillen Sociale differentiatie Sociale stratificatie
Sociale stratificatie is het vierde begrip dat Dahrendorf introduceert. Het is sociale
differentiatie plus evaluatie in termen van reputatie, status of rijkdom. Sociale stratificatie
impliceert dus een rangschikking van sociale posities van laag naar hoog.
Sociale ongelijkheid: de stratificatie van sociale posities in termen van rang of sociale
rangverschillen
Door het aanpakken van allerlei ongelijkheid scheppende mechanismen worden het bestaan
en het belang van allerlei vormen van diversiteit beter zichtbaar
10.2 – Breuklijnen brengen ons nog een stap verder
Het uitgangspunt is dat sociale relaties, het cruciale kenmerk van de sociale werkelijkheid,
niet alleen nevenschikkend of onderschikkend kunnen zijn, maar daarnaast ook worden
gekenmerkt door de aan- of afwezigheid van breuklijnen
Townsend zoekt die breuklijnen dus bij het gedrag en de levensstijl van individuen en
huishoudens: wat we vroeger een agency-perspectief noemden. Wij speuren ook naar
structurele breuklijnen: die zijn ingebakken in de maatschappelijke ordening en bepalen
uiteindelijk de kansen en problemen van individuen en huishoudens. We onderscheiden vier
soorten breuklijnen: relationele, institutionele, ruimtelijke en maatschappelijke breuklijnen
Relationele breuklijnen hebben te maken met de netwerken waarover de actoren
beschikken. Wanneer ze door slechts enkele banden verbonden zijn met de rest van het
netwerk of wanneer die banden hoofdzakelijk emotioneel van aard zijn, dreigt sociaal
isolement weinig of geen toegang tot belangrijke sociale goederen
Over de gelaagdheid van de samenleving
Ongelijkheid vooral in de vorm van inkomensongelijkheid staat vandaag weer in de
belangstelling. Vooral de huidige crisis heeft daartoe bijgedragen.
In The Spirit Level analyseerden Wilkinson en Pickett een aanzienlijke collectie data en
concludeerden daaruit dat in landen met een hogere inkomensongelijkheid veel meer sociale
problemen voorkomen dan in landen waar het inkomen gelijker is verdeeld
Inzake sociale mobiliteit concluderen ze dat je kansen op sociale stijging vandaag veel beter
liggen in de Scandinavische landen dan in de VS, die niettemin trots zijn op hun slagzin: from
rags to riches
Thomas Piketty, een Franse econoom verklaart opnieuw groeiende inkomens- en
vermogensongelijkheid in de eerste plaats doordat in een neoliberale markteconomie, het
rendement op kapitaal doorgaans hoger ligt dan de groei van het nationaal inkomen: r > g.
Dat leidt ertoe dat ‘oude’ rijkdom, via intresten, opbrengsten uit financiële producten of huur,
sneller groeit dan ‘nieuwe’ rijkdom in de vorm van economische productie en lonen. In een
economisch systeem zoals het onze, dat gebaseerd is op privébezit wordt vermogen van
generatie op generatie geaccumuleerd en overgedragen: het vloeit dus toe aan een selecte
maatschappelijke groep.
Na de Tweede Wereldoorlog zorgden het al besproken fordistische compris, afspraken
tussen de werkgevers en vakbonden over een relatief billijke verdeling van de
productiviteitswinsten, en de daarmee verbonden uitbouw van een welvaartsstaat in de
meest industrielanden voor een effectieve buffer tegen de harde ‘wetmatigheden van het
kapitaal’. Dat resulteerde in een groeiende welvaart van de middenklasse. Aan dat proces is
een einde gekomen. Hij wijst erop dat herverdeling ook inhoudt dat nationale overheden op
een gecoördineerde manier ‘de rijkdom zullen moeten begrenzen’ door systemen van
vermogensheffing te introduceren.
Nobelprijswinnaars Joseph Stiglitz en Paul Krugman schrijven in dezelfde richting. Stiglitz
beklemtoont in The Price of Inequality de desastreuze morele en economische kosten:
minder groei en efficiëntie.
Internationale instellingen: OESO, de Wereldban en het Internationaal Monetair Fonds, The
Economist, Financial Times
Volgens ramingen van de OESO is de inkomensongelijkheid toegenomen tussen 1985 en
2008 in 17 van de 22 landen waarvoor langetermijngegevens beschikbaar zijn. In 1985
bedroeg de Gini-index in de OESO-landen gemiddeld 0,29. Gedurende de volgende twee
decennia is die index gestegen tot 0,32, wat dus een toename van de ongelijkheid betekent
Het onderzoek over sociale ongelijkheid heeft een drievoudige empirische focus:
1. Veel energie naar het produceren van relatief objectieve maatstaven voor het
vaststellen van de verdeling van middelen over individuen en gezinshoofden, maar
ook andere aspecten van ongelijkheid: levensverwachting of toegang tot onderwijs
2. Menige poging om de mate van intergenerationele of intragenerationele sociale
mobiliteit te meten
3. Vormen van klassenbewustzijn in de zin van hoe de perceptie van sociale
ongelijkheid verschilt naargelang van de sociale klasse
Het opmerkelijkst is evenwel de opbloei van het debat over het al dan niet bestaan van
sociale klasse en over de relevantie van dat concept.
, Standing: zijn precariaat is een nieuwe sociale onderklasse, een proletariaat in precaire
werk- en leefomstandigheden
10.1 – Verscheidenheid en ongelijkheid: een raamwerk
Dahrendorf identificeert verschillende soorten van verschillen in de samenleving. Hij
onderscheidt natuurlijk en sociale verschillen en ook ongelijkheden die een zekere vorm van
rangorde impliceren.
Mensen verschillen duidelijk van elkaar qua natuurlijke eigenschappen en capaciteiten =
natuurlijke soortverschillen
Natuurlijke rangverschillen: sommige mensen kunnen sneller lopen dan andere of beter en
verder zien.
Dat onderscheid tussen soort en rang, tussen nominale en ordinale schalen, kunnen we ook
maken qua sociale verschillen. Mensen kunnen sociale rollen vervullen zonder dat daaraan
een positieve of negatieve evaluatie wordt gekoppeld. Dahrendorf noemt dat soort sociale
verschillen ‘sociale differentiatie’. Het gaat om neutrale specificaties van de
verantwoordelijkheden en rechten die verbonden zijn met een bepaalde sociale positie, of
van de kenmerken die toegewezen worden aan een bepaald sociaal type.
Soortverschillen Rangverschillen
Natuurlijke verschillen Natuurlijke soortverschillen Natuurlijke rangverschillen
Sociale verschillen Sociale differentiatie Sociale stratificatie
Sociale stratificatie is het vierde begrip dat Dahrendorf introduceert. Het is sociale
differentiatie plus evaluatie in termen van reputatie, status of rijkdom. Sociale stratificatie
impliceert dus een rangschikking van sociale posities van laag naar hoog.
Sociale ongelijkheid: de stratificatie van sociale posities in termen van rang of sociale
rangverschillen
Door het aanpakken van allerlei ongelijkheid scheppende mechanismen worden het bestaan
en het belang van allerlei vormen van diversiteit beter zichtbaar
10.2 – Breuklijnen brengen ons nog een stap verder
Het uitgangspunt is dat sociale relaties, het cruciale kenmerk van de sociale werkelijkheid,
niet alleen nevenschikkend of onderschikkend kunnen zijn, maar daarnaast ook worden
gekenmerkt door de aan- of afwezigheid van breuklijnen
Townsend zoekt die breuklijnen dus bij het gedrag en de levensstijl van individuen en
huishoudens: wat we vroeger een agency-perspectief noemden. Wij speuren ook naar
structurele breuklijnen: die zijn ingebakken in de maatschappelijke ordening en bepalen
uiteindelijk de kansen en problemen van individuen en huishoudens. We onderscheiden vier
soorten breuklijnen: relationele, institutionele, ruimtelijke en maatschappelijke breuklijnen
Relationele breuklijnen hebben te maken met de netwerken waarover de actoren
beschikken. Wanneer ze door slechts enkele banden verbonden zijn met de rest van het
netwerk of wanneer die banden hoofdzakelijk emotioneel van aard zijn, dreigt sociaal
isolement weinig of geen toegang tot belangrijke sociale goederen