Diploïde organismen, rechts in de afbeelding is te zien hoe
organismen die het grootste deel van hun leven diploïd zijn
voor nakomeling zorgen en daarnaast is dit weergegeven
voor haploïde organismen, zoals schimmels (bv bakkersgist).
Haploïde organismen hoeven geen meiose te ondergaan
voor voortplanting, aangezien ze al haploïd zijn. Zij zullen na
de voortplanting weer meiose ondergaan om de haploïde
levenscyclus weer in te gaan.
Meiose I, is in twee delen te splitsen en de tweede
meiotische deling lijkt erg op de mitose. Bij zowel mit- als
meiose begint het allemaal met replicatie van de maternale
en paternale chromosomen. Bij de mitose worden deze
gerepliceerde chromosomen uit elkaar getrokken en
verdeeld over 2 dochtercellen. Bij de eerste meiotische
deling worden juist de homologen uit elkaar getrokken. Dat
wil zeggen dat de paternale chromosoom met zijn replicatie
naar de ene dochtercel gaat en het maternale chromosoom
met haar replicatie naar de andere.
Homologe paring, bij meiose I gaan de homologe
chromosoomparen naast elkaar liggen. Om goed te blijven
liggen en te paren, ondergaan deze chromosomen
homologe recombinatie. Deze recombinaties zorgen ervoor
dat na meiose I niet een volledig paternaal of maternaal
chromosoom met zijn replicatie in een dochtercel zit, maar
dat deze een ook stukje van de ander bevat.
Recombinant chromosoom, een chromosoom is
recombinant als die een stuk DNA heeft uitgewisseld met
zijn homologe chromosoom. Dat is in de afbeelding van
meiose I te zien, doordat het grijze chromosoom een stukje
rood bevat en het rode een stukje grijs.
Meiose II, hier worden de zusterchromatiden uit elkaar
getrokken. Dit lijkt heel erg op mitose, alleen levert mitose
een diploïde cel, terwijl meiose een haploïde cel oplevert.
Homologen, het parternale en maternale chromosoom zijn
dus homologen van elkaar. Als twee homologe
chromosomen bij elkaar liggen, noem je dat bivalent.
Zusterchromatiden, de replicatie van een chromosoom en
dat chromosoom zelf zijn zusterchromatiden.
Chiasma, de locatie waar bij meiose I recombinatie
plaatsvindt, noemen we een chiasma. Links zie je dat er 3
chiasmata zijn waarbij alle chromatiden betrokken zijn. Op een
gemiddeld chromosoom vind 2 á 3 recombinaties.
Synaptonemale complex, is het complex van de 4 chromatiden
en daar zijn veel eiwitten bij betrokken. In het blauw zie
je de chromatinen weergegeven en deze zijn gebonden
aan cohesines. Samen met andere eiwitten van het
synaptonemale complex vormen ze als het ware twee
assen. Deze assen liggen naast elkaar en houden de twee
homologen bij elkaar. In de foto zie je dat de homologen op