Hyde, dit hoofdstuk is gebaseerd op hoofdstuk 6 van Hyde.
Linkage map, genen zijn lineair gerangschikt op chromosomen en door de linkage
(koppelingsanalyse) kan je zien of twee genen gekoppeld zijn of niet. Zo heeft F. Strutevant koppleing
op het X chromosoom van Drosophila in kaart gebracht. Zijn mapping techniek was gebaseerd op
recombinatie gebeurtenissen die plaatsvinden tussen nonsister chromatids tijdens meiose I. De
structuur waar niet-zuster chromatiden overkruisen is een chiasma (zie HCO6 meiose).
Testkruising, als je het genotype van een zwart schaap wil bepalen, kan dat BB of Bb zijn, aangezien B
dominant is en voor een zwarte vracht zorgt. Om dit te achterhalen kruis je het zwarte schaap met
een homozygoot recessief wit schaap (bb). Als alle nakomeling wit zijn, heeft je zwarte schaap BB en
als de helft zwart is en de rest wit, heeft je zwarte schaap Bb. Bij een testkruising kruis je dus altijd
met een homozygoot recessieve.
Detached fenotype Drosophila, de vleugels kunnen
als wildtype voorkomen of als detached (det), waarbij
bloedvat CV2 ontbreekt. Als een vlieg homozygoot
recessief is voor deze mutatie ontbreekt dus dit vat.
Banded fenotype Drosophila, bij dit fenotype zit er
een zwarte band op het lichaam van de vlieg tussen de twee vleugels. Deze mutatie komt ook alleen
tot uiting in een homozygoot recessieve situatie.
Nomenclatuur fruitvlieg, bij fruitvliegen werk je niet met hoofdletter en kleine letters om de
dominantie aan te geven, maar met plusjes. Hierbij geven de plusjes dominantie aan.
Kruising banded & detached, in de
afbeelding is te zien dat je een heterozygote
F1 krijgt als je twee homozygote vliegen
kruist die voor de ene eigenschap dominant
zijn en voor de andere recessief. Deze F1 zal
het wildtype vertonen, aangezien de
mutaties recessief zijn. Vervolgens kan een
testkruising uitgevoerd worden met F1 om te
kijken of deze eigenschappen gekoppeld zijn.
Daarvoor wordt dus gekruist met een
homozygoot recessieve voor beide
eigenschappen. Volgens Mendels wet van onafhankelijk overerving zou dit resulteren in nakomeling
volgens een 1:1:1:1 fenotype ratio.
F2 testkruising, rechts zijn de resultaten van de
testkruising weergegeven en deze verschillen nogal
van 1:1:1:1 ratio. Het voordeel aan deze testkruising
is dat elk genotype ook tot een ander fenotype
leidt. De geno- en fenotype ratio’s zijn dus
hetzelfde. Aan de resultaten is te zien dat de twee
grootste fenotypische categorieën uit de F2
overeenkomen met de fenotypen van de originele
ouders: banded en detached. Er heeft dus geen
recombinatie plaatsgevonden in deze gevallen. In
de andere fenotypen (banded, detached & wildtype) heeft wel recombinatie plaatsgevonden.
Schematische weergave, met een lijn gaan weergegeven worden dat de allelen op eenzelfde
chromosoom liggen en dan is het wat duidelijker hoe de fenotype ratio tot stand is gekomen. Deze
schematische weergave is op de volgende pagina te zien. Middels dit experiment weten we dus dat
deze genen op hetzelfde chromosoom liggen. Welk chromosoom dat is en wat de locaties van deze
genen op dat chromosoom weten we echter niet.